22 juni 2016Geen btw-aftrek instandhoudingskosten tijdens leegstand

Rechtbank Gelderland heeft beslist dat geen recht op btw-aftrek bestaat ter zake van instandhoudingskosten van leegstaande gebouwen.

Het gaat in deze zaak om een B.V. die onroerend goed exploiteert en een kantoorgebouw tot 1 oktober 2012 btw-vrijgesteld heeft verhuurd. In het laatste kwartaal van 2012 heeft het gebouw leeggestaan. Vanaf 2013 wordt het gebouw btw-vrijgesteld verhuurd. De B.V. verhuurt tevens ruimte voor zendmasten op het gebouw ter zake waarvan btw verschuldigd is. Tijdens een boekenonderzoek in 2013 over de periode 2008 tot en met 2012 is geconstateerd dat de B.V. de btw op de algemene kosten volledig in aftrek heeft gebracht. Volgens de inspecteur ten onrechte, aangezien deze btw naar zijn mening slechts pro rata (2%) aftrekbaar is. Deze btw is door de inspecteur gecorrigeerd middels het opleggen van naheffingsaanslagen waarbij tevens boeten zijn opgelegd. Bij de uitspraken op bezwaar zijn de naheffingsaanslagen over 2009 tot en met 2012 verminderd en is het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak is beroep ingesteld bij Rechtbank Gelderland. Voor de rechtbank is in geschil of de naheffingsaanslag over 2012 terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de B.V. recht heeft op btw-aftrek op de kosten tijdens de periode van leegstand. Daarnaast is in geschil of de B.V. recht heeft op een vergoeding van de immateriële schade en of het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding terecht is afgewezen.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de kosten die in het vierde kwartaal van 2012 in rekening zijn gebracht geen algemene kosten zijn, maar directe kosten die kosten die aan de B.V. in rekening zijn gebracht om het kantoorgebouw in goede staat te houden (instandhoudingskosten). Nu die opvatting geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting volgt de rechtbank partijen hierin. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 augustus 1994 geoordeeld dat instandhoudingskosten onmiddellijk worden verbruikt en dat ter zake van deze kosten tijdens leegstand recht op btw-aftrek bestaat, omdat sprake is van een bezigen in het kader van de onderneming. Daarnaast heeft de Hoge Raad in dit arrest geoordeeld dat deze btw-aftrek niet kan worden herzien op grond van art. 15, lid 4 Wet OB. Door de wijziging van art. 15, lid 1 Wet OB per 2007 bestaat sindsdien slechts aftrek van voorbelasting indien de kosten toerekenbaar zijn aan belaste handelingen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2014 volgt dat het voorgenomen gebruik doorslaggevend is voor het recht op btw-aftrek tijdens leegstand. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit dit arrest tevens dat in beginsel moet worden aangenomen dat gedurende leegstand sprake is van een voorgenomen gebruik voor belaste handelingen, tenzij de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt. De rechtbank acht de inspecteur in die bewijslast geslaagd. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de btw-vrijgestelde verhuur voor en na de leegstandsperiode tot het vermoeden dat het voornemen tot belaste verhuur ontbreekt. Het standpunt van de B.V. dat het pand ook belast kon worden verhuurd acht de rechtbank onvoldoende om dit vermoeden te ontkrachten. Hierbij acht de rechtbank het van belang dat het kantoorgebouw reeds in 2013 btw-vrijgesteld is verhuurd waardoor het in de rede ligt dat de onderhandelingen voor 2013 hebben plaatsgevonden. Gelet op de hoedanigheid van die huurder is het voornemen tot belaste verhuur uitgesloten. De inspecteur heeft de btw op de instandhoudingskosten daarom terecht gecorrigeerd.

De rechtbank is van oordeel het volledig in aftrek brengen van de btw, terwijl vrijwel uitsluitend btw-vrijgestelde prestaties worden verricht grove schuld oplevert waardoor de boeten terecht zijn opgelegd. Van een pleitbaar standpunt is volgens de rechtbank geen sprake. Omdat de redelijke termijn is overschreden worden de boetes gematigd met 15%. Daarnaast heeft de B.V. recht op een vergoeding van de immateriële schade. Omdat deze zaak samenhangt met twee andere zaken en in twee van die zaken recht bestaat op een vergoeding van de immateriële schade matigt de rechtbank de schadevergoeding tot € 250, de helft van € 500. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding; de B.V. heeft recht op een forfaitaire proceskostenvergoeding van € 495. De rechtbank heeft in twee andere zaken, waarvan er één betrekking heeft op dezelfde B.V. en één op een andere vennootschap, in soortgelijke zin beslist.

 Het is naar onze mening opvallend dat de inspecteur in deze zaak het standpunt inneemt dat de instandhoudingskosten directe kosten zijn, aangezien deze kosten volgens het beleid van de staatssecretaris algemene kosten zijn (zie 7.10). Dit laat onverlet dat wij de opvatting van partijen en de rechtbank in deze onderschrijven. Wij vragen ons echter wel af of de rechtbank terecht het uitgangspunt hanteert dat uit het arrest van 13 juni 2014 volgt dat in beginsel moet worden aangenomen dat gedurende leegstand sprake is van belaste handelingen. In deze zaak stond in cassatie vast dat tijdens de leegstand sprake was van een voornemen tot btw-belaste verhuur. In onderhavige zaak is dat niet het geval. Bovendien geldt dat de verhuur van kantoorgebouwen in beginsel btw-vrijgesteld is, tenzij wordt (en kan worden) geopteerd voor btw-belaste verhuur. Gelet hierop achten ligt het in de rede om, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, uit te gaan van een voornemen tot btw-vrijgestelde verhuur.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op