20 mei 2015Geen btw-aftrek catering vaktechnische lunches en cursussen

Op grond van het BUA is de aftrek van btw op kosten die betrekking hebben op het verstrekken van spijzen en dranken om niet of tegen een lage vergoeding aan het personeel uitgesloten. Rechtbank Noord-Holland heeft recent geoordeeld dat geen recht bestaat op de aftrek van btw op de maaltijden die aan werknemers worden geserveerd tijdens vaktechnische overleggen en cursussen tijdens lunchpauzes of na werktijd. 

Een internationaal opererend kantoor met advocaten, notarissen en fiscalisten houdt wekelijks tijdens de lunchpauzes of buiten de reguliere kantoortijden vaktechnische overleggen, zodat de werknemers zoveel mogelijk declarabele uren kunnen maken en het contact met de cliënten zo min mogelijk hinder ondervindt. De vaktechnische overleggen worden in beginsel per afdeling georganiseerd en duren één à twee uur. Daarnaast vinden diverse cursussen plaats om te voldoen aan de eisen van permanente educatie. Tijdens de bijeenkomsten, die verplicht zijn voor de werknemers, verstrekt het kantoor spijzen en dranken aan de deelnemers. Deze eenvoudige maaltijden (waarvan de kosten € 5 tot € 10 per persoon bedragen) worden door een cateringbedrijf geserveerd in de vergaderruimte. Het kantoor beschikt tevens over een bedrijfskantine, waar werknemers maaltijden tegen betaling kunnen krijgen. Het staat de werknemers vrij om zelf voor een maaltijd te zorgen. 

Het kantoor heeft de btw op de verstrekte spijzen en dranken als voorbelasting in aftrek gebracht. De Belastingdienst heeft vervolgens een naheffingsaanslag opgelegd, omdat deze btw naar de mening van de inspecteur niet aftrekbaar is. 

Rechtbank Noord-Holland heeft in deze zaak geoordeeld dat de btw op de spijzen en dranken op grond van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (BUA) niet voor aftrek in aanmerking komt. in het BUA wordt de uitsluiting van de aftrek weliswaar beperkt tot uitgaven voor persoonlijke doeleinden van het personeel, maar deze beperking geldt niet voor de verstrekking van spijzen en dranken aan het personeel. Voor spijzen en dranken wordt in art. 3 van het BUA geen onderscheid gemaakt naar gelang hun aard, namelijk zakelijk of persoonlijk. De aftrek van voorbelasting op de spijzen en dranken is daarom, ondanks het zakelijke karakter ervan, uitgesloten. Op grond van jurisprudentie van het HvJ is het duidelijk dat een lidstaat de aftrek van voorbelasting op bepaalde uitgaven mag uitsluiten, ondanks het doel of het gebruik, aldus de rechtbank. 

De rechtbank oordeelt -kort gezegd- dat de aftrekuitsluiting voor het verstrekken van spijzen en dranken om niet of tegen een lage vergoeding als bedoeld in art. 3 van het BUA ook geldt indien het privégebruik van ondergeschikte betekenis is. Naar onze mening gaat de rechtbank hier te kort door de bocht. Uit art. 16 Wet OB volgt dat ook deze aftrekuitsluiting bedoeld is om te voorkomen dat de spijzen en dranken voor het bevredigen van behoeften van anderen dan ondernemers (lees: het personeel) wordt gebruikt. Dit betekent dat deze aftrekuitsluiting toepassing mist indien bij het verstrekken van de catering de behoeften van het bedrijf vooropstaan. En dat in een situatie als deze het privégebruik van ondergeschikt belang is, blijkt naar onze mening uit het Danfoss & AstraZeneca-arrest van het HvJ (C-371/07). Het is dan ook onze verwachting dat tegen deze uitspraak hoger beroep wordt ingesteld. Zie