18 november 2016Gedeeltelijke btw-aftrek business seats voetbalstadion

Een ondernemer heeft deels recht op aftrek van de btw op business seats in een voetbalstadion, omdat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat als de ondernemer aan zijn zakenrelaties btw in rekening zou hebben gebracht ter zake van de zitplaatsen, deze btw bij hen (deels) niet voor aftrek in aanmerking zou komen.

De fiscale eenheid A produceert en monteert interieurwerken voor de particuliere en zakelijke sector. A bestaat onder andere uit holding B en interieurbouw- en productiebedrijf C. C huurt zitplaatsen in een business room van een stadion. Gebruikers van de business room kunnen een voetbalwedstrijd bijwonen, daarbij gratis consumpties krijgen en gebruikmaken van de business club, die gelegen is aan de andere kant van het stadion dan het gedeelte waar C de zitplaatsen huurt. De zitplaatsen kunnen tijdens voetbalwedstrijden gebruikt worden. De business room kan buiten wedstrijden om als vergaderruimte gebruikt worden, C doet dit echter niet. Ook maakt C geen gebruik van de business club en het netwerk. De gebruikers van de zitplaatsen zijn D, de directeur en enig aandeelhouder van holding B, en zijn broer E, die als projectleider in loondienst is bij C. Soms gaan zij samen, soms gaat één van hen naar de wedstrijden. In de meeste gevallen ontvangen zij (potentiële) zakenrelaties. Verschillende relaties zijn meer dan één keer aanwezig. In de regel maken D en E geen gebruik van de zitplaatsen als er geen (potentiële) zakenrelaties meegaan. Bij verhindering van D en E worden de zitplaatsen in voorkomende gevallen uitgegeven aan (potentiële) zakenrelaties. C brengt de btw op de huur van de zitplaatsen volledig in aftrek.

Na een boekenonderzoek over de jaren 2004 tot en met 2008 heeft de inspecteur van de Belastingdienst een naheffingsaanslag opgelegd aan C ten bedrage van € 12.791 en € 1.427 heffingsrente. Deze naheffing is een correctie van de in aftrek gebrachte btw op de huur van de zitplaatsen, aangezien de inspecteur van mening is dat deze uitgaven een consumptief karakter hebben waarmee met name de persoonlijke belangen van het personeel en de relaties gediend worden en de aftrek daarom beperkt is op grond van het Besluit uitsluiting aftrek (hierna: BUA). C heeft bezwaar en beroep aangetekend tegen de naheffingsaanslag.

In eerste aanleg heeft Rechtbank Zeeland-West-Brabant geoordeeld dat de aftrek van btw op de huur is uitgesloten. In hoger beroep komt Hof Den Bosch tot een ander oordeel. Het hof stelt in aanvulling op de feiten vast dat de koste ter zake van de huur van de zitplaatsen in de business room van het stadion zijn gemaakt op zakelijke gronden, namelijk met het oogmerk om het netwerk van (potentiële) klanten te onderhouden. Over de jaren 2004 tot en met 2008 zijn geen stukken aanwezig waaruit blijkt welke relaties op welk moment en met welke frequentie de wedstrijden hebben bezocht, al dan niet vergezeld door D en/of E.

Het hof is van oordeel dat op de inspecteur de last rust om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit blijkt dat de aftrekbeperking voor het bezigen van afgenomen goederen of diensten voor het geven van relatiegeschenken (art. 1, lid 1, onderdeel b BUA) of voor persoonlijke doeleinden van het personeel (art. 1, lid 1, onderdeel c BUA) geldt. De bewijslast kan niet worden omgekeerd of verzwaard, zoals de inspecteur meent, omdat de inspecteur geen voor bezwaar vatbare informatiebeschikking (ex art. 52a AWR) heeft uitgereikt waarin hij aan heeft gegeven dat de btw-ondernemer zijns inziens niet voldoet aan zijn administratieve verplichtingen. De inspecteur zal dus aannemelijk moeten maken dat en in hoeverre C de door haar in het kader van haar onderneming van derden afgenomen diensten bezigt voor het geven van relatiegeschenken of voor persoonlijke doeleinden van haar personeel. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur, met hetgeen hij aangeleverd heeft, niet het begin van bewijs geleverd dat als aan de zakenrelaties btw in rekening zou zijn gebracht ter zake van de zitplaatsen, deze btw bij hen (deels) niet voor aftrek in aanmerking zou komen. De aftrekbeperking voor het geven van relatiegeschenken is dan ook niet van toepassing.

Wat betreft het ter beschikking stellen van zitplaatsen aan D en E overweegt het hof, uitgaande van algemene ervaringsregels in het maatschappelijk verkeer, dat de modale consument deze dienst opvat als het gelegenheid geven tot ontspanning of als dienend voor andere persoonlijke doeleinden van het personeel. In casu is het persoonlijke belang van D en E overheersend en niet het zakelijke belang, aldus het hof. De inspecteur heeft dit voldoende aannemelijk gemaakt. C heeft, aldus het hof, geen recht op aftrek van de btw op de huur van de zitplaatsen voor D en E.

Aangezien partijen het ter zitting over eens zijn geworden dat twee derde deel van het nageheven bedrag toerekenbaar is aan de terbeschikkingstelling van zitplaatsen aan zakenrelaties en een derde deel aan de terbeschikkingstelling van zitplaatsen aan D en E. Het hof vermindert de naheffing dienovereenkomstig.

Vanaf 1 juli 2011 is omkering en verzwaring van de bewijslast alleen mogelijk na een onherroepelijke informatiebeschikking of het niet doen van de vereiste aangifte. Aangezien de uitspraken op bezwaar in deze casus na 1 juli 2011 zijn gedaan, volgt het hof de inspecteur terecht niet in zijn standpunt dat de bewijslast moet worden omgekeerd.

Uit deze uitspraak mag niet worden afgeleid dat de btw die drukt op de terbeschikkingstelling van business seats aan (potentiële) zakenrelaties voor aftrek in aanmerking komt. In deze zaak was slechts het tegendeel onvoldoende bewezen door de inspecteur. Zie 14.1 over de informatiebeschikking.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op