10 juli 2015Gangbare praktijk Roemeense fiscus staat niet aan naheffing btw in de weg

In de prejudiciële zaak “Salomie en Oltean” gaat het om de gelijknamige natuurlijke personen die samen met vijf andere natuurlijke personen een maatschap zijn aangegaan ter verwezenlijking van een project voor de bouw en verkoop van vier gebouwen in Roemenië. In 2008 en 2009 zijn er, naast 23 parkeerplaatsen, 122 van de 132 appartementen zonder btw verkocht. Ter zake van deze verkopen is een belasting ter zake van de overdracht van onroerende goederen uit het privévermogen voldaan. De appartementen zijn gebouwd op grond die tot het privévermogen van één van die personen behoort. In 2010 heeft de Roemeense fiscus zich na een controle op het standpunt gesteld dat de bouw en verkoop een duurzame economische activiteit vormt ter zake waarvan vanaf het tijdvak na het overschrijden van de registratiedrempel btw verschuldigd is.

De Roemeense rechter vraagt zich af of het opleggen van deze naheffingsaanslagen in strijd is met het rechtszekerheidbeginsel, omdat de btw-regels m.b.t. onroerende goederen pas vanaf 2010 in het Roemeense recht is vastgesteld en de gangbare praktijk van de fiscus tot die tijd er veeleer in bestond dergelijke handelingen niet met btw te belasten. Bovendien was de fiscus in 2008 en 2009 op de hoogte van de verkopen, aangezien deze handelingen aan belastingheffing zijn onderworpen. Daarnaast betwijfelt de Roemeense rechter of het toegestaan is om pas btw-aftrek te verlenen vanaf het moment van btw-registratie en het indienen van btw-aangiften. Om die reden heeft hij deze vragen voorgelegd aan het HvJ.

Het HvJ oordeelt dat de bepalingen van Roemeens recht voldoende duidelijk en nauwkeurig voorschrijven dat de levering van (gedeelten van) gebouwen en het bijbehorend terrein in bepaalde gevallen belast zijn met btw. Om die reden kunnen Salomie en Oltean zich niet beroepen op het onvoldoende duidelijke rechtskader met het argument dat de relevante rechtspraak van het HvJ en de Zesde Richtlijn (die in ieder geval vanaf de toetreding van Roemenië tot de EU (2007) niet langer van kracht was) niet in het Roemeens waren bekendgemaakt. Ook het feit dat de fiscus na een controle binnen de naheffingstermijn alsnog het standpunt inneemt dat btw verschuldigd is, is niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Wel moet -aldus het HvJ- worden nagegaan of handelingen van de fiscus bij een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer een redelijk vertrouwen hebben gewekt, en zo ja, of dit vertrouwen gewettigd is. Het HvJ oordeelt dat de praktijk van de fiscus niet in die richting wijst. Gelet op de duidelijkheid van het nationale recht en omdat het in casu gaat om personen die professioneel in de vastgoedsector actief zijn, kan de gangbare praktijk van de fiscus om de handelingen zoals die in het hoofdgeding niet systematisch aan btw te onderwerpen, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, niet volstaan om bij een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer een redelijk vertrouwen te wekken dat geen btw verschuldigd is.  Bovendien kon een voorzichtige en betrokken marktdeelnemer gelet op de omvang van het bouwproject niet redelijkerwijs concluderen dat zijn handelingen niet belast zijn met btw, zonder dat hij van de fiscus hierover duidelijke garanties heeft gekregen of op zijn minst geprobeerd heeft te krijgen.

Ten aanzien van het opleggen van toeslagen op de nageheven btw oordeelt het HvJ dat dit proportioneel moet zijn. Ten slotte oordeelt het HvJ dat het weigeren van de btw-aftrek (louter) vanwege het ontbreken van de btw-registratie en het niet indienen van de btw-aangiften in strijd is met het Unierecht indien materieel recht op btw-aftrek bestaat en de verschuldigde btw nageheven is. Naar het oordeel van het HvJ kan de Roemeense fiscus ook een minder vergaande maatregel treffen door een boete op te leggen die evenredig is aan de ernst van de inbreuk.

Uit dit arrest blijkt dat het HvJ niet snel het oordeel is toegedaan dat de belastingplichtige erop mag vertrouwen dat hij geen btw verschuldigd is. Hiermee houdt het HvJ vast aan zijn strikte uitleg van dit beginsel. Dat, zoals de verwijzende rechter in deze zaak heeft vastgesteld, deze handelingen m.b.t. onroerend goed door de Roemeense fiscus tot 2010 veelal niet aan btw-heffing werden onderworpen acht het HvJ niet voldoende voor een geslaagd beroep op het (Unierechtelijke) vertrouwensbeginsel. In Nederland wordt een beroep op het (nationale) vertrouwensbeginsel bij beleid van de fiscus contra legem (goedkeuringen bijv.) sneller gehonoreerd. Of de Nederlandse rechter in btw-zaken de vrijheid heeft om bij toepassing van het vertrouwensbeginsel voorbij te gaan aan de strikte uitleg van dit beginsel door het HvJ valt te betwijfelen. Over deze vraag zal het HvJ zich ongetwijfeld nog een keer moeten uitlaten. Tot die tijd verdient het aanbeveling om bij twijfels over de btw-consequenties van handelingen -zeker als het gaat om een omvangrijk bouwproject, zoals in deze zaak- afstemming te zoeken met de Belastingdienst.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op