14 november 2016Exploitatie renstal niet belast tegen verlaagde btw-tarief

Het met paarden deelnemen aan een wedren om hiermee een prijs te behalen is volgens het HvJ geen economische activiteit. De exploitatie van een renstal voor paarden is naar de mening van het HvJ niet belast tegen het verlaagde tarief.

De Tsjechische btw-ondernemer Pavlína Baštová is actief op het gebied van het fokken en trainen van renpaarden. Haar stallen zijn deels bezet door haar eigen paarden en deels door paarden van anderen, die zij voorbereidt op wedstrijden. Naast renpaarden houdt Baštová fokmerries, veulens en twee paarden die worden ingezet voor agrotoerisme en het trainen van jonge paarden. Een deel van Baštová’s inkomsten worden gevormd door de prijzen die haar eigen paarden winnen en een percentage van prijzengeld dat bestemd is voor de trainer bij winst door paarden van anderen. Daarnaast ontvangt zij vergoedingen voor de voorbereiding van paarden van anderen op een wedren. Baštová heeft in haar btw-aangifte 10% btw over de dienst ‘exploitatie van een renstal’ aangegeven en de voorbelasting die zij in rekening gebracht heeft gekregen, volledig in aftrek gebracht. De Tsjechische fiscus is hiermee niet akkoord gegaan. De belastingdienst in Pilsen heeft de aftrek van de voorbelasting ter zake van de deelname van Baštová’s eigen paard aan wedrennen geweigerd, aangezien dit geen belastbare handeling zou zijn. Daarnaast is het volgens de belastingdienst niet juist dat Baštová het verlaagde btw-tarief van 10% heeft toegepast op de dienst ‘exploitatie van een renstal’. De hoogste bestuursrechter, aan wie de zaak uiteindelijk is voorgelegd, heeft een zevental prejudiciële vragen voorgelegd aan het HvJ EU, die zien op de belastbaarheid van de deelname van Baštová’s eigen paard aan wedrennen en op de btw-technische duiding van de exploitatie van de renstal.

In deze zaak is door het HvJ geoordeeld dat het ter beschikking stellen van een paard aan de organisator van een paardenwedren met het oog op deelname van dat paard aan die wedren geen dienst is onder bezwarende titel, als die terbeschikkingstelling niet leidt tot de betaling van deelnamegeld of een andere vergoeding en als alleen de eigenaars van de winnende paarden bij aankomst in de wedren prijzengeld ontvangen, ook als dat op voorhand bepaald is. Er is naar het oordeel van het HvJ echter wél sprake van een dienst onder bezwarende titel als de organisator een vergoeding uitbetaalt onafhankelijk van de prestaties van het paard bij aankomst in de wedren.

Baštová heeft recht op aftrek van de btw op de goederen en diensten die zijn verworven met het oog op de voorbereiding en deelname van haar eigen paarden aan de wedrennen indien de kosten voor deze handelingen deel uitmaken van de algemene kosten die met haar economische activiteit verband houden. Hiervoor is vereist dat de kosten voor elk van deze handelingen rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met deze gehele activiteit. Dat kan het geval zijn als de gemaakte kosten verband houden met de renpaarden die daadwerkelijk bestemd zijn voor de verkoop of als de deelname van die paarden objectief gezien een middel is ter bevordering van de economische activiteit van Baštová. De verwijzende rechter zal dit moeten nagaan.

Met betrekking tot de exploitatie van de renstal oordeelt het HvJ dat deze dienstverlening, onder voorbehoud van verificatie door de nationale rechter, niet kan delen in het verlaagde btw-tarief. Naar het oordeel van het HvJ kan één samengestelde dienst, die bestaat uit meerdere elementen die met name verband houden met de training van paarden, het gebruik van sportaccommodaties, de stalling van paarden in een renstal en het voederen en andere verzorging van paarden, namelijk niet aan het verlaagde tarief zijn onderworpen als het gebruik van de sportaccommodaties en de training van de paarden twee gelijkwaardige elementen van de samengestelde dienst vormen of als de training van de paarden het hoofdelement van de dienst is. De verwijzende rechter zal dit na moeten gaan.

 Het oordeel van het HvJ wijkt af van het oordeel van de Hoge Raad dat het prijzengeld voor de deelname aan een wedstijd kwalificeert als de vergoeding voor een prestatie (HR 12 juni 1996, nr. 31.175) Zie  In Nederland geldt het beleid dat de vergoeding voor het in pension houden van paarden in drie delen mag worden gesplitst, te weten 1/3 deel verhuur van de paardenbox (vrijgesteld), 1/3 deel instructie en training met het gebruik van de rijaccommodatie als het gelegenheid geven tot sportbeoefening (6% btw) en 1/3 verzorging en voeding (21% btw). Zie