21 juni 2017Exploitant platform voor webcamdiensten verricht elektronische diensten

Het aanbieden van een platform aan aanbieders van webcamdiensten is volgens Rechtbank Den Haag niet aan te merken als een vermakelijkheidsdienst, omdat de exploitant van het platform niet zelf de webcamdiensten verleent.

Een B.V. exploiteert een technisch platform waarmee zogeheten ‘performers’ (zowel individuele aanbieders als studio’s met meerdere werknemers) uit Nederland, de EU en van buiten de EU hun (erotische) webcamdiensten aan kunnen bieden. Het platform geeft toegang tot de websites van de B.V. en derden, waarop de webcamdiensten door de performers worden aangeboden. Performers die hun diensten willen aanbieden via het platform van de B.V., sluiten daartoe een overeenkomst met de B.V. Tegen betaling van een commissie van 35% van de afgenomen dienst verleent de B.V. hosting- en marketingdiensten aan de performers. De performers kunnen daarnaast tegen betaling van een commissie van 15% van de afgenomen dienst, gebruikmaken van de betaaldiensten van de B.V. Bezoekers van de websites van de B.V. moeten zich registreren en akkoord gaan met de algemene voorwaarden (een gebruikersovereenkomst), waarna zij krediet kunnen storten in hun e-wallet via onder meer Paypal, iDeal, creditcard of overboeking. Zij verkrijgen dan een virtueel tegoed, waarmee zij kunnen betalen voor de webcamdiensten. De BV betaalt, na inhouding van de commissie, het bedrag van de afgenomen diensten uit aan de performers. De performers bepalen zelf de tarieven van de webcamdiensten die zij aanbieden. De inspecteur van de Belastingdienst is van mening dat de B.V. vermakelijkheidsdiensten aanbiedt en dat de diensten daarom worden verricht waar de activiteiten plaatsvinden, namelijk waar de bezoekers van de websites zich daadwerkelijk bevinden. De inspecteur heeft vervolgens naheffingsaanslagen van ruim € 4,2 over 2014 en ruim € 4,2 miljoen over 2015 opgelegd. De B.V. heeft hiertegen bezwaar en beroep aangetekend.

Rechtbank Den Haag heeft recent geoordeeld dat de diensten van de B.V. ten onrechte zijn aangemerkt als vermakelijkheidsdiensten. De rechtbank overweegt dat er sprake is van een overeenkomst tussen de B.V. en de performers, maar dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat er overeenkomsten zijn tussen de B.V. en de gebruikers van de webcamdiensten. De B.V. en de gebruiker sluiten weliswaar een gebruikersovereenkomst, maar deze strekt er niet toe webcamdiensten te verstrekken maar om hen het recht te verstrekken gebruik te maken van de websites van de B.V. en de e-wallet waarmee virtueel tegoed kan worden verkregen. Hiervoor brengt de B.V. geen vergoeding in rekening, zodat er – als er al sprake zou zijn van diensten door de B.V. aan de gebruikers – geen sprake is van diensten onder bezwarende titel.

Aangezien tussen partijen vaststaat dat de performers btw-ondernemers zijn, is de plaats van dienst op grond van art. 6, lid 1 Wet OB de plaats waar de performer woont of is gevestigd. De bewijslast hiervan rust op grond van art. 37e Wet OB op de B.V. De BV heeft aangevoerd dat zij aan de inspecteur een usb-stick heeft overgelegd waarop deze gegevens staan en heeft hiermee, naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt welke van haar diensten niet in Nederland zijn verricht. De rechtbank vernietigt daarom de opgelegde naheffingsaanslagen.

 Over de vraag waar de aanbieders van webcamdiensten, in deze zaak aangeduid als de performers, hun diensten verrichten bestaat al de nodige jurisprudentie. Die jurisprudentie komt erop neer dat deze webcamdiensten niet zijn aan te merken als een elektronische dienst, maar als een vermakelijkheidsdienst. Dit betekent dat deze diensten belastbaar zijn in het land waar deze diensten daadwerkelijk plaatsvinden. Maar waar is dat? Het land waar het optreden voor de camera plaatsvindt of het land van de afnemer van de webcamdiensten? A-G Ettema heeft de Hoge Raad geadviseerd het HvJ de vraag voor te leggen of dergelijke webcamdiensten als een vermakelijkheidsactiviteit kwalificeren en, zo ja, waar deze diensten daadwerkelijk plaatsvinden. In deze zaak gaat het echter niet om de aanbieder van webcamdiensten, maar om de exploitant van een platform waarmee deze webcamdiensten kunnen worden aangeboden. Toch heeft de inspecteur in voormelde jurisprudentie aanleiding gezien het standpunt in te nemen dat (ook) de exploitant van het platform vermakelijkheidsdiensten verleent. Omdat uit de gesloten overeenkomsten volgt dat de exploitant niet op eigen naam vermakelijkheidsdiensten aanbiedt en de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit in werkelijkheid anders is, oordeelt de rechtbank naar onze mening terecht dat sprake is van een dienst die valt onder de ‘hoofdregel’ voor diensten aan ondernemers (art. 6, lid 1 Wet OB). Dit betekent dat de diensten van de exploitant van het platform belastbaar zijn in het land waar de performer woont of is gevestigd. Op grond van art. 37e Wet OB geldt het vermoeden dat de dienst in Nederland wordt verricht, tenzij de exploitant van het platform het tegendeel aannemelijk maakt. In de praktijk wordt deze bewijsregel nogal eens over het hoofd gezien. De B.V. heeft gesteld dat zij een usb-stick heeft overgelegd waaruit blijkt waar de performers wonen dan wel zijn gevestigd. De inspecteur heeft dit niet betwist. Hiermee valt het doek voor de inspecteur. Omdat de exploitant van het platform over de diensten aan de performers in Nederland btw op aangifte heeft voldaan, vernietigt de rechtbank de opgelegde naheffingsaanslagen volledig. Zie 3.3 voor meer informatie over de plaats van diensten aan btw-ondernemers.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op