22 maart 2018Exploitant horecabedrijven heeft geen btw-aftrek voor verkoop hennephoudende producten

De levering van cannabis- en hennephoudende producten betreft niet-economische activiteiten waarvoor geen recht op btw-aftrek bestaat. Rechtbank Noord-Holland heeft geoordeeld dat de inspecteur voor de btw-aftrek ter zake van de algemene kosten terecht is uitgegaan van een splitsingsmethode op basis van de omzet.

Feiten

De activiteiten van een fiscale eenheid bestaan uit de exploitatie van horecabedrijven, waaronder vijf coffeeshops, een hotel, een bar en een café, en de verkoop van kleding en souvenirs in onder meer twee winkels en via internet. In de coffeeshops worden softdrugs verkocht, zogenaamde cannabis- en hennephoudende producten (hierna: hhs-producten). In een BV zijn ondergebracht de technische dienst, de administratie en ‘overhead’. De opbrengst van de hhs-producten vormt ongeveer 70% van de totale omzet van de vijf coffeeshops en ongeveer 30% van de totale omzet van de fiscale eenheid.

De fiscale eenheid heeft aangiften btw ingediend en hierbij alle aan haar in rekening gebrachte btw (voorbelasting) in aftrek gebracht, met uitzondering van de voorbelasting die volgens de fiscale eenheid volledig toerekenbaar is aan de verkoop van hhs-producten. In geschil is of de inspecteur terecht een deel van de voorbelasting niet in aftrek heeft toegelaten, omdat de desbetreffende kosten mede betrekking hebben op de niet-economische hhs-activiteiten van de fiscale eenheid. Ook is in geschil of de beveiligingskosten direct toerekenbaar zijn aan de economische activiteiten of niet-economische activiteiten of dat ze algemene kosten vormen. Niet in geschil is dat de activiteiten met betrekking tot hhs-producten niet-economische activiteiten zijn.

Rechtbank

Rechtbank Noord-Holland stelt dat de btw die drukt op leveringen en diensten die uitsluitend betrekking hebben op hhs-producten niet aftrekbaar is. De btw die drukt op leveringen en diensten die mede betrekking hebben op die activiteiten (algemene kosten), is niet aftrekbaar voor zover die worden gebruikt voor de activiteiten met betrekking tot hhs-producten. Volgens de rechtbank is het aan de fiscale eenheid om nader te onderbouwen dat de btw drukkend op de algemene kosten desalniettemin geheel aftrekbaar is. De fiscale eenheid is daar naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd.

Uit de gedingstukken en het ter zitting gestelde volgt dat de verkoop van hhs-producten in de coffeeshops van de fiscale eenheid een belangrijk deel van de activiteiten van de fiscale eenheid zijn. De omzet verband houdend met hhs-producten vormt een aanmerkelijk deel (30%) van de totale omzet van de fiscale eenheid. Verder is ter zitting komen vast te staan dat de activiteiten van de fiscale eenheid zijn begonnen met het bieden van een plek waar hhs-producten konden worden gebruikt. De merknaam waaronder de activiteiten van de fiscale eenheid thans nog wordt ontplooid, vindt daar ook zijn oorsprong. Voorts blijkt uit hetgeen de fiscale eenheid ter zitting heeft verklaard over de feitelijke situatie op de locaties waar hhs-producten worden geleverd dat het desbetreffende pand, het personeel en de voorzieningen deels worden gebruikt en ingezet voor verkoop van hhs-producten. Vast staat ook dat de verkoop van hhs-muffins plaatsvindt binnen de reguliere horeca. Met haar stelling dat haar inspanningen en investeringen alleen worden gedaan met het oog op de economische activiteiten, heeft de fiscale eenheid volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de door de inspecteur als algemeen aangemerkte kosten niet mede verband houden met de niet-economische activiteiten. Dat in een later jaar de hhs-activiteiten zouden zijn afgescheiden van de activiteiten van de fiscale eenheid, wat daar overigens van zij, leidt volgens de rechtbank ook niet tot de conclusie dat die activiteiten in het onderhavige tijdvak bijkomstig of van ondergeschikt belang zijn. De rechtbank oordeelt dat gelet op het voorgaande terecht een correctie in verband met de aftrek van btw op de algemene kosten is toegepast.

De rechtbank oordeelt dat het aan de fiscale eenheid is om nader te onderbouwen dat met toerekening op basis van de omzetverhouding te weinig btw in aftrek wordt gebracht. De fiscale eenheid is daar volgens de rechtbank niet in geslaagd. Zij heeft haar stellingen niet met bewijzen onderbouwd. Bovendien leiden die stellingen, als van de juistheid daarvan wordt uitgegaan, niet tot de conclusie dat de voorbelasting voor een deel ten onrechte niet in aftrek komt. De verhouding tussen de gemiddelde verkoopprijzen van hhs-producten en andere horeca-producten leidt niet tot de conclusie dat aansluiten bij omzetverhoudingen in strijd is met het werkelijk gebruik. De door de fiscale eenheid voorgestelde en onderbouwde berekeningsmethode sluit aan bij de omzet behaald met leveringen van hhs-producten waarvan de consumptie in de coffeeshop plaatsvindt. Leveringen van hhs-producten zonder consumptie ter plaatse blijven aldus buiten aanmerking. Dit miskent dat ook voor deze activiteiten gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld personeel, inventaris en pand. Reeds daarom kan er niet van worden uitgegaan dat deze methode conform het werkelijk gebruik is. Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur voor de berekening van de aftrek van btw bij algemene kosten terecht aangesloten bij de omzetverhoudingen.

Ten aanzien van de beveiligingskosten acht de rechtbank aannemelijk dat zij zowel betrekking hebben op de activiteiten met betrekking tot de hhs-producten als op de activiteiten met betrekking tot de reguliere horeca. Algemeen bekend is dat ook in de reguliere horeca in het centrum van Amsterdam gebruik wordt gemaakt van beveiligers, terwijl gedoogvergunningen voor coffeeshops bepaalde veiligheidseisen bevatten. Om die reden merkt de rechtbank de beveiligingskosten aan als algemene kosten. Gelet op het voorgaande is de correctie in verband met de beveiligingskosten door de inspecteur te hoog vastgesteld en dient deze correctie te worden aangepast.

Wij zijn het eens met de uitspraak van de rechtbank. De btw op de algemene kosten is volgens het Securenta-arrest van het HvJ slechts aftrekbaar voor zover ze betrekking heeft op de (btw-ondernemersprestaties. De vraag komt hierbij naar voren welke verdeelsleutel van toepassing is. De btw-richtlijn geeft alleen regels voor de verdeling naar vrijgestelde en belaste economische activiteiten en niet voor de verdeling tussen economische en niet-economische activiteiten. EU-lidstaten mogen volgens het Securenta-arrest zelf methoden en criteria vaststellen voor het maken van splitsingsberekeningen. De Staatssecretaris heeft in zijn besluit van 25 november 2011, nr. BLKB 2011/641M aangegeven dat een btw-ondernemer bij het splitsen van de btw die betrekking heeft op economische en niet-economische activiteiten een methode moet hanteren waarbij aangesloten wordt bij objectieve factoren, zoals omzetverhoudingen, m², m³ of kosten. Hij heeft hierbij de voorwaarde gesteld dat de splitsingsmethode zoveel als mogelijk recht moet doen aan het gebruik van de goederen of diensten. Aangezien de hhs-producten 30% van de totale omzet van de fiscale eenheid vormen en personeel, pand en voorziening deels wordt gebruik voor de verkoop van hhs-producten zijn wij net als de rechtbank van mening dat de btw op de algemene kosten deels toerekenbaar is aan de niet-economische activiteiten. Dat de rechtbank in navolging van de inspecteur aansluit bij de omzetverhouding ligt voor de hand nu de fiscale eenheid niet aannemelijk heeft gemaakt dat een andere verdeelsleutel het werkelijke gebruik beter weerspiegelt.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op