10 december 2018Eindejaarstips 2018

INLEIDING

Het jaar 2019 nadert. Dit betekent dat de btw-aangifte over het laatste aangiftetijdvak van 2018 weer ingediend moet worden. BTW-PLAZA wil u hierbij helpen door aan te geven welke posten u in deze btw-aangifte moet meenemen. Daarnaast geeft BTW-PLAZA u enkele eindejaarstips en zetten wij de belangrijkste btw-wijzigingen voor 2019 voor u op een rij. 

ONDERNEMER


Meld verbreking/wijziging fiscale eenheid btw 

Ondernemers die zijn opgenomen in een fiscale eenheid voor de btw zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de btw-schulden van de fiscale eenheid. Indien een onderdeel van de fiscale eenheid niet langer economische activiteiten verricht of aan één van de andere voorwaarden (financiële, organisatorische en economische verwevenheid) niet langer wordt voldaan, adviseren wij de inspecteur hiervan op de hoogte te stellen en de fiscale eenheid te verbreken of te wijzigen. Hierdoor eindigt de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de uittredende ondernemer(s).


ONROEREND GOED

 

Optie belaste levering 

De levering van gebouwen die op het tijdstip van levering meer dan twee jaar in gebruik zijn of de levering van onbebouwde grond (niet zijnde een bouwterrein) is in principe vrijgesteld van btw-heffing. Partijen kunnen echter kiezen voor een belaste levering, mits de koper het gekochte in het boekjaar van levering en het daaropvolgende boekjaar voor minimaal 90% (voor werkgeversorganisaties, makelaars, reisbureaus, arbodiensten, postvervoersbedrijven en openbare radio- en televisieorganisaties 70%) gebruikt voor belaste activiteiten.

Het opteren voor een btw-belaste levering voorkomt dat de verkoper zijn btw-aftrek deels moet herzien bij een levering van het onroerend goed binnen de herzieningstermijn of zorgt ervoor dat een verkoper een (extra) gedeelte van de aanschaf-btw terugkrijgt. De koper is verplicht om binnen vier weken na afloop van het boekjaar dat volgt op het boekjaar van levering een verklaring aan de verkoper en zijn inspecteur te sturen waarin hij verklaart of al dan niet voldaan is aan het 90%- of 70%-criterium.

 Indien u een 90%- of 70%-verklaring moet afgeven verdient het aanbeveling om dit alvast als actiepunt in uw agenda te zetten. Indien u een 90%- of 70%-verklaring moet ontvangen van de koper, verdient het aanbeveling om alvast in uw agenda te noteren wanneer de vierwekentermijn verstreken is, zodat u de koper hieraan kunt herinneren indien hij in gebreke blijft.


 Bij een keuze voor een belaste levering van onroerend goed verdient het voor de verkoper aanbeveling om met de koper expliciet overeen te komen dat laatstgenoemde eventuele nageheven (herzienings-)btw, inclusief de eventuele verschuldigde rente en/of boete vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van de optie belaste levering volledig aan de verkoper moet vergoeden. Laat de verkoper dit na dan loopt hij het risico dat hij geconfronteerd wordt met een naheffing van (herzienings-)btw, eventueel vermeerderd met heffingsrente en een boete, terwijl het niet voldoen aan de voorwaarden van de optie belaste levering aan het handelen/nalaten van de koper te wijten is.


Optie belaste verhuur 

Verhuur van onroerende goederen is in principe vrijgesteld van btw-heffing. Partijen kunnen echter opteren voor btw-belaste verhuur, mits de huurder het gehuurde voor minimaal 90% (voor werkgeversorganisaties, makelaars, reisbureaus, arbodiensten, postvervoersbedrijven en openbare radio- en televisieorganisaties 70%) gebruikt voor belaste activiteiten. Blijkt de huurder in enig jaar niet langer te voldoen aan deze voorwaarde dan zal de verhuur vrijgesteld zijn. Dit kan gevolgen hebben voor de eerder afgetrokken btw (zie herziening). Hierop bestaat een uitzondering indien het niet voldoende aftrekgerechtigde gebruik voor de huurder redelijkerwijs niet voorzienbaar en incidenteel was.

 Heeft u in 2018 onroerend gehuurd waarvoor geopteerd is dan moet u nagaan of u in 2018 voldaan hebt aan het 90%/70%-criterium. Indien dit niet het geval is, dient u dit binnen vier weken na afloop van uw boekjaar in een door u ondertekende verklaring te melden aan de verhuurder én de inspecteur.

 

MAATSTAF VAN HEFFING

 

Aangepaste btw-regels voor vouchers 

Vanaf 1 januari 2019 gelden voor alle EU-landen nieuwe regels voor de btw-behandeling van vouchers. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen een voucher voor enkelvoudig gebruik (ook wel “single purpose voucher” genoemd, afgekort als SPV) en een voucher voor meervoudig gebruik (ook wel “multi purpose voucher” genoemd, afgekort als MPV). Bij een SPV staan de aard, de plaats en het btw-tarief of de btw-vrijstelling van de prestatie op het moment van uitgifte van de voucher vast. De overdracht van een SPV wordt beschouwd als het verrichten van de onderliggende levering of dienst. Dit betekent dat de levering of dienst (waarover btw verschuldigd kan zijn) reeds plaatsvindt bij de verkoop van de SPV en niet pas bij inwisseling van de SPV. Bij een verkoop van een MPV vindt de levering of dienst (waarover btw verschuldigd kan zijn) daarentegen pas plaats bij inwisseling van de MPV. Dit betekent niet dat er ter zake van de verkoop van MPV’s in het geheel geen btw verschuldigd is. Bij de verkoop van MPV’s aan distributeurs zal ter zake van de marge 21% btw verschuldigd zijn, omdat deze marge op grond van de wet beschouwd wordt als de vergoeding voor een belaste distributie- of promotiedienst.


TARIEVEN

Verlaagde btw-tarief van 6% naar 9% 

Het verlaagde btw-tarief van 6% gaat met ingang van 1 januari 2019 naar 9%. Het normale btw-tarief blijft 21%. Door de verhoging van het verlaagde tarief worden niet alleen de boodschappen duurder, maar bijv. ook geneesmiddelen, medische hulpmiddelen, boeken, tijdschriften, restaurants, kappers, hotels, pretparken en concerten. Er is niet voorzien in een overgangsmaatregel. In de praktijk betekent dit dat ondernemers voor het vaststellen van welk btw-tarief van toepassing is, kunnen aansluiten bij de reguliere regels rondom het moment van verschuldigdheid.

 

Een ondernemer die het kasstelsel toepast is btw verschuldigd op het moment waarop hij de vergoeding (deels)  ontvangt. Ontvangt hij de vergoeding in 2018 dan geldt het btw-tarief van 6% en ontvangt hij de vergoeding in 2019 dan geldt het tarief van 9%.

 

Voor een ondernemer die het factuurstelsel toepast geldt het 6%-tarief indien hij in 2018 een prestatie verricht en in 2018 een factuur uitreikt of had moeten uitreiken. Als een ondernemer zonder dat hij daartoe verplicht is in 2018 alvast een factuur uitreikt voor een prestatie die in 2019 zal worden verricht dan is het 6%-tarief dus van toepassing, maar de Belastingdienst heeft aangekondigd erop toe te zien dat van het vooruit factureren geen misbruik wordt gemaakt. Verricht de ondernemer de prestatie in december 2018, maar reikt hij de factuur in 2019 uit dan is het 9%-tarief van toepassing. Als de ondernemer in 2018 een vooruitbetaling ontvangt voor een prestatie die hij in 2019 dan is hij over deze vooruitbetaling 6% btw verschuldigd. In andere gevallen is de datum waarop de prestatie wordt verricht leidend voor het toepasselijke btw-tarief.  

 

 Het nieuwe tarief kan onder andere impact hebben op: de administratie, de prijzen van goederen en diensten, de facturatie en btw-aangifte bij de jaarovergang, reserveringen en offertes. Bedrijven die het verlaagde btw-tarief toepassen, dienen daarom tijdig op deze tariefsverhoging te anticiperen.

 

Beperking 0%-tarief voor de levering, bevoorrading e.d. van zeeschepen

De toepassing van het nultarief op de levering en bevoorrading van, alsmede diensten aan (commerciële) zeeschepen wordt aangepast. Op dit moment is het nultarief gekoppeld aan de geschiktheid van een schip voor de vaart op volle zee, zonder dat daarbij de eis is gesteld dat die zeeschepen ook daadwerkelijk worden gebruikt voor de vaart op volle zee. Per 1 januari 2019 wordt de toepassing van het nultarief aangescherpt en geldt het tarief slecht indien dergelijke schepen voor tenminste 70% worden gebruikt voor de vaart op volle zee (d.w.z. buiten de territoriale wateren, de 12 mijlszone) en voor 100% worden gebruikt voor commerciële activiteiten (personenvervoer tegen vergoeding, handel, industrie of visserij). Om te bewijzen dat aan die 70%- en 100%-norm wordt voldaan dient de ondernemer die het nultarief wil toepassen te beschikken over een verklaring van of namens de exploitant van het zeeschip. Voor reddings- en hulpverleningsboten, schepen voor de kustvisserij en oorlogsschepen gelden afwijkende regels.

VRIJSTELLING

Verruiming sportvrijstelling 

Per 1 januari 2019 wordt de sportvrijstelling aangepast. Deze maatregel is een gevolg van het Bridport en West Dorset Golf Club-arrest van het HvJ. In dit arrest heeft het HvJ duidelijk gemaakt dat de sportvrijstelling niet beperkt mag worden tot diensten aan de leden. Op dit moment is de vrijstelling alleen van toepassing op prestaties op het gebied van sport die verenigingen aan hun leden verrichten. Met ingang van 1 januari 2019 wordt dit onderscheid tussen diensten aan leden en niet-leden opgeheven. De sportvrijstelling blijft, zoals ook nu het geval is, alleen gelden voor niet-winstbeogende instellingen.

 

De verruiming van de sportvrijstelling pakt nadelig uit voor niet-winstbeogende instellingen, zoals exploitatiestichtingen en gemeentes, die een sportaccommodatie exploiteren en hierop nu het 6% btw-tarief toepassen. Zij kunnen op grond van de huidige wetgeving alle btw (meestal 21%) op de kosten van de (ver)bouw en onderhoud van de sportaccommodatie volledig in aftrek brengen en zijn meestal over de (veelal lage) vergoeding die zij ontvangen slechts 6% btw verschuldigd. Per 1 januari 2019 zijn deze instellingen niet langer btw verschuldigd, maar hier staat tegenover dat zij ook geen (volledig) recht hebben op aftrek van voorbelasting. In verband met dit financiële nadeel  is door het Ministerie van VWS voorzien in een subsidieregeling.

 

De sportvrijstelling geldt niet voor organisaties die winst beogen. Commerciële sportorganisaties worden dus niet door de aanpassing van de sportvrijstelling geraakt. Op dit moment wordt het winstoogmerk nog per (sport)activiteit bekeken. Per 1 januari 2019 verandert dit. In de wet wordt net als in de Btw-richtlijn opgenomen dat het winstoogmerk per (sport)organisatie wordt beoordeeld. vanaf 1 januari 2019 moeten dus alle activiteiten die de organisatie verricht in beschouwing te worden genomen om te bepalen of een organisatie kwalificeert als commerciële sportorganisatie en niet alleen sportactiviteiten.

 

Doordat het toepassingsbereik van de sportvrijstelling wordt verruimd kunnen organisaties die nu btw-belaste prestaties verrichten per 1 januari 2019 onder de sportvrijstelling vallen. Dit heeft mogelijke gevolgen voor investeringen die zij in het verleden hebben gedaan. Op grond van de herzieningsregels kunnen de organisaties een deel van de btw die zij in het verleden in aftrek hebben gebracht alsnog verschuldigd zijn. Het wetsvoorstel voorziet daarom in een ruimhartige overgangsregeling. De overgangsregeling  houdt verband met het feit dat de subsidieregeling alleen van toepassing is voor activiteiten (bouw, onderhoud of aanschaf) die aanvangen vanaf 1 januari 2019.

 

Ook wanneer de bouw al vóór 1 januari 2019 is gestart, maar pas na die datum wordt opgeleverd en in gebruik is genomen, kan de btw op de bouwtermijnen volgens het overgangsrecht toch nog volledig in aftrek worden genomen, mits de aftrek op basis van de huidige regels is toegestaan. De overgangsregeling voorziet erin dat de btw die na 31 december 2018 in rekening wordt gebracht in aftrek mag worden gebracht conform de bestemming op het tijdstip waarop de koop-/aannemingsovereenkomst is gesloten. Een bestemming voor het belaste gelegenheid geven tot sportbeoefening in 2018 betekent daarom dat de btw-aftrek ook na 2018 in stand blijft.


AFTREK VOORBELASTING


Herziening btw-aftrek algemene kosten 

Een ondernemer die door hem aangekochte goederen en/of diensten gebruikt voor zowel btw-vrijgestelde als btw-belaste activiteiten, kan in principe slechts een deel van de btw aftrekken. Bij ingebruikneming van de goederen en/of diensten moet de in aftrek gebrachte btw herzien worden aan de hand van de gegevens van het tijdvak van ingebruikneming (omzetverhouding of werkelijk gebruik). Aan het eind van het boekjaar moet de aftrek van btw nogmaals (volledig) herzien worden aan de hand van de gegevens die gelden voor het gehele boekjaar. Te weinig in aftrek gebrachte btw kan in post 5b van de laatste btw-aangifte van het jaar alsnog geclaimd worden. Te veel afgetrokken btw moet in post 5b van deze btw-aangifte als negatief bedrag opgenomen en terugbetaald worden.


Herziening btw-aftrek investeringsgoederen

De aftrek van btw op aangeschafte goederen en diensten is in beginsel definitief na de herziening aan het eind van het jaar van ingebruikneming. Voor investeringsgoederen gaat na afloop van het boekjaar van ingebruikneming een herzieningstermijn van negen (onroerende goederen) of vier (roerende investeringsgoederen) jaren lopen. Met roerende investeringsgoederen wordt in dit kader bedoeld: roerende goederen waarop voor de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting wordt of zou kunnen worden afgeschreven. Bij herziening wordt getoetst of de mate van aftrek aan het einde van het jaar van ingebruikneming overeenstemt met het gebruik in de vier respectievelijk negen jaren daarna.

Anders dan bij de herziening die aan het einde van het boekjaar van ingebruikneming wordt verricht, wordt bij afwijking in latere jaren echter niet het hele bedrag van de eerder afgetrokken btw gecorrigeerd, maar slechts dat deel wat toerekenbaar is aan het betreffende jaar (1/10e deel bij onroerende goederen, 1/5e bij roerende investeringsgoederen). Wijzigt het gebruik van een onroerend goed in jaar 5 dus van volledig belast naar volledig vrijgesteld, dan betekent dit dat vanaf jaar 5 steeds jaarlijks 1/10e deel van de vroeger afgetrokken btw gecorrigeerd moet worden. Te weinig in aftrek gebrachte btw kan in post 5b van de laatste btw-aangifte van het boekjaar alsnog geclaimd worden. Te veel afgetrokken btw moet in post 5b van deze btw-aangifte als negatief bedrag worden opgenomen en terugbetaald worden.

Herziening blijft achterwege indien het bedrag dat op basis van de herzieningsregels voor aftrek in aanmerking komt niet meer dan 10% verschilt met het bedrag dat in aftrek is gebracht. Deze 10%-regel geldt zowel bij een terug te vragen bedrag als een te betalen bedrag.


Btw-heffing privégebruik zakelijke auto

Bij privégebruik (incl. woon-werkverkeer) van een auto van de zaak door de ondernemer, maten/firmanten of personeel in 2017 moet in de laatste aangifte van het kalenderjaar/boekjaar 21% btw betaald worden over de uitgaven voor dit privégebruik. Indien geen kilometeradministratie is bijgehouden dan is 2,7% van de catalogusprijs (incl. btw en bpm) verschuldigd. Hierop bestaat een uitzondering als na het jaar waarin de auto door de ondernemer in gebruik is genomen vier jaren zijn verstreken, de auto zonder btw is aangeschaft, als er een (sluitende) kilometeradministratie is bijgehouden, als er uitsluitend woon-werkverkeer heeft plaatsgevonden of als er een eigen bijdrage voor het privégebruik wordt betaald. Dit verschuldigde bedrag moet worden opgenomen in rubriek 1d van de btw-aangifte.

De heffing over het privégebruik vindt tijdsevenredig plaats. Een (aftrekgerechtigde) ondernemer die een auto met btw aanschaft en op 1 juli 2018 in gebruik neemt kan derhalve volstaan met een btw-correctie voor het privégebruik van 6/12 x 2,7% x catalogusprijs (incl. btw en bpm).


Btw-correctie zakelijk gebruik privéauto

Een (eenmans)ondernemer die zijn privéauto zakelijk gebruikt, heeft recht op aftrek van de btw op de kosten voor gebruik en onderhoud indien en voor zover hij btw-belaste prestaties verricht. Indien geen kilometeradministratie voorhanden is waaruit blijkt in welke mate de auto voor privédoeleinden is gebruikt, is goedgekeurd dat de btw-aftrek wordt beperkt naar rato van het verwachte privégebruik. Als het verwachte gebruik niet bekend is, moet worden uitgegaan van een zo nauwkeurig mogelijke schatting aan de hand van objectief vast te stellen feiten en omstandigheden, waaronder bijv. ervaringsgegevens.

De (eenmans)ondernemer mag echter ook de btw in aftrek brengen alsof de auto niet voor privédoeleinden wordt gebruikt en in rubriek 1d van de laatste btw-aangifte over 2018 een btw-correctie aangeven van 1,5 % van de catalogusprijs (incl. btw en bpm). Dit is echter uitsluitend toegestaan als uit de administratie niet blijkt in welke mate de auto in 2018 voor privédoeleinden is gebruikt.


Btw-heffing privégebruik investeringsgoederen

Indien een ondernemer een goed dat zowel zakelijk als privé wordt gebruikt volledig tot zijn btw-ondernemingsvermogen heeft gerekend (en de btw daarom volledig in aftrek is gebracht), dient in de laatste aangifte over 2018 een heffing over het privégebruik aangegeven te worden. De heffing over het privégebruik moet worden opgenomen in rubriek 1d van de btw-aangifte. De maatstaf van heffing voor het privégebruik wordt gevormd door de voor de dienst gemaakte uitgaven. De btw-heffing over het privégebruik vindt tijdsevenredig plaats. Dit betekent dat als een gemengd gebruikt goed op 1 juli 2018 in gebruik is genomen voor zakelijke en privédoeleinden slechts 6/12 van de ‘normale’ heffing over het privégebruik verschuldigd is. Er bestaat een onderscheid tussen kosten voor de verwerving of vervaardiging van het goed en de kosten voor het onderhoud, verbetering en dergelijke van het goed. Voor de forfaitaire btw-heffing ter zake van het privégebruik van de auto zie btw-heffing privégebruik zakelijke auto.


 Voor onroerende goederen die vanaf 2011 volledig tot het btw-ondernemingsvermogen zijn gerekend, heeft btw-aftrek plaatsgevonden naar rato van het (verwachte) zakelijk gebruik (voor btw-belaste activiteiten). Wijzigingen in het zakelijke en privégebruik op of na het moment van ingebruikneming worden gecorrigeerd op overeenkomstige wijze als bij wijzigingen in het belaste en vrijgestelde gebruik (herziening). Voor de herzieningsregels zie herziening btw-aftrek investeringsgoederen.


Verwervings- of vervaardigingskosten

De kosten die toerekenbaar zijn aan het privégebruik van het verworven of vervaardigde investeringsgoed, moeten worden bepaald op basis van het werkelijk privégebruik. De kosten worden uitgesmeerd over vijf (roerend investeringsgoed) of tien jaren (onroerend goed) waarbij het jaar van ingebruikneming telt als het eerste jaar. 

Het is aan de ondernemer om een methode te hanteren die het werkelijk privégebruik aannemelijk maakt. Dit kan zijn op basis van oppervlakten (m²) of op basis van tijdsaanduidingen (dagen). De ondernemer is gehouden te kiezen voor de methode die het meest aansluit bij het werkelijk privégebruik. Bij investeringsgoederen waarbij gemengd gebruik gelijktijdig plaatsvindt, bijvoorbeeld in een woon/bedrijfspand, kan het privégebruik meestal het beste aannemelijk gemaakt worden op basis van oppervlakten. Een tijdsevenredige berekening is daarentegen een goede methode voor een vakantiewoning die voor zakelijke of privédoeleinden gebruikt wordt.


Onderhouds- en verbeteringskosten e.d.

Ook de kosten die toerekenbaar zijn aan het privégebruik van de kosten voor het onderhoud, de verbetering en dergelijke moet worden toegerekend op basis van het werkelijk privégebruik. Hiervoor gelden dezelfde regels als voor de berekening bij het verwerven en vervaardigen van het goed. Het privégebruik van de kosten voor onderhoud, verbetering, e.d. wordt volledig belast in het jaar van gebruik.


Btw-heffing over privégebruik diensten

De heffing over het privégebruik van diensten is volgens de staatssecretaris aan de orde bij het privégebruik van extern (met btw) ingekochte diensten zonder vergoeding en het privégebruik van intern door de ondernemer zelf verrichte diensten. Een voorbeeld van laatstgenoemde diensten is de ondernemer met een schoonmaakbedrijf die zijn personeel zijn privéwoning en/of woningen van zijn personeel laat schoonmaken. De btw is verschuldigd over de aan het privégebruik toerekenbare kosten. Dit verschuldigde bedrag moet worden opgenomen in rubriek 1d van de laatste btw-aangifte over 2018. 


Kantineverstrekkingen aan personeel

Het verstrekken van spijzen en dranken aan personeel leidt tot een btw-aftrekcorrectie indien de kosten van de personeelsvoorzieningen (inclusief het verstrekken van spijzen en dranken) per personeelslid meer bedragen dan € 227. Indien de kosten van de personeelsverstrekkingen exclusief het verstrekken van spijzen en dranken minder bedragen dan € 227 bedragen, wordt uitsluitend de aftrek ten aanzien van de kantineverstrekkingen gecorrigeerd.

Het totaal van de kosten van het verstrekken van spijzen en dranken wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

Kostprijs spijzen/dranken (ex. btw) € ….

Opslag 25% € ….+

Theoretische omzet € ….

Werkelijke omzet (incl. btw) € ….-

Verschil € ….

Aantal personeelsleden …./

Bevoordeling per personeelslid € ….

Het verschil tussen de theoretische omzet en de werkelijke omzet (de vergoedingen die aan het personeel in rekening zijn gebracht), is het bedrag dat uitgegeven is voor het personeel ten behoeve van het verstrekken van spijzen en dranken. Dit bedrag wordt gedeeld door het aantal personeelsleden zodat de verstrekking per personeelslid bekend is. Dit bedrag wordt opgeteld bij de eventuele overige personeelsverstrekkingen en vervolgens getoetst aan de grens van € 227. Blijft het totaal van de personeelsverstrekkingen (inclusief het verstrekken van spijzen en dranken) vervolgens onder deze grens, dan blijft een aftrekcorrectie achterwege. Wanneer de bevoordeling per personeelslid de € 227-grens overschrijdt, moet de aftrek gecorrigeerd worden met 6% btw maal het verschil.

 Volgens Hof Amsterdam geldt deze aftrekcorrectie ook voor het om zakelijke redenen verstrekken van spijzen en dranken door de werkgever aan zijn personeel tijdens (verplichte) vaktechnische overleggen en bijeenkomsten. Deze uitspraak zal met name voor (belasting)advies-, accountants-, notaris en advocatenkantoren relevant zijn.


TERUGGAAF BTW


Oninbare vorderingen

Sinds 1 januari 2017 is het eenvoudiger om de btw op oninbare vordering terug te vragen. De btw over oninbare vorderingen moet worden teruggevraagd in de btw-aangifte over het tijdvak waarin duidelijk is dat uw klant niet meer zal betalen. De btw kan in ieder geval worden teruggevraagd uiterlijk één jaar na de uiterste betaaldatum van de factuur. Het bedrag dat teruggevraagd wordt, moet als negatieve omzet en negatieve btw bij vraag 1a of vraag 1b van die aangifte worden ingevuld.

 De eenjaarstermijn betekent dat ondernemers per vordering moeten bijhouden wanneer deze opeisbaar is geworden (lees: wanneer de eenjaarstermijn gaat lopen). In beginsel is dat de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen, tenzij de ondernemer met zijn afnemer een andere termijn is overeengekomen. Het verdient daarom aanbeveling om bijv. in het debiteurenoverzicht een aparte rubriek toe te voegen waaruit blijkt hoe lang de vordering openstaat. Hierdoor blijft het voor de ondernemer overzichtelijk wanneer de eenjaarstemijn is verstreken en in welk tijdvak hij zijn btw-teruggaaf in de btw-aangifte moet claimen.


 Het verdient aanbeveling om vóór het tekenen van een vaststellingsovereenkomst waarbij over een weer finale kwijting wordt verleend bij bijv. betaling van een percentage van de vordering contact met BTW-INSTITUUT op te nemen. Een dergelijke overeenkomst kan namelijk heel nadelig uitpakken voor de crediteur als daardoor de btw-claim op de fiscus ter zake van het onbetaald gebleven deel van de vordering verloren gaat.

 
Ambtshalve teruggaaf btw

Indien in het verleden ten onrechte of te veel btw op aangifte is afgedragen of te weinig btw in aftrek is gebracht, kan de ondernemer middels een afzonderlijk verzoek aan de inspecteur vragen om deze btw ambtshalve terug te geven. Ten aanzien van ten onrechte of teveel voldane btw die de ondernemer op facturen is vermeld (en die door de afnemer in aftrek kan zijn gebracht), kan de inspecteur nadere voorwaarden stellen, zoals het uitreiken van een herstelfactuur zonder btw en uitschakeling van het verlies van gevaar van belastinginkomsten (lees: de aftrek van de ten onrechte of te veel gefactureerde btw door afnemer).

 

KLEINE ONDERNEMERSREGELING

 

Een eenmansondernemer of een samenwerkingsverband van natuurlijk personen die in 2019 per saldo niet meer dan € 1.345 aan btw verschuldigd zal zijn, kan verzoeken om ontheffing van de administratieve verplichtingen. Dit verzoek moet voor 1 januari 2019 ingediend zijn. De ontheffing geldt niet voor intracommunautaire verwervingen of naar hem verlegde btw.

 

 Met ingang van 1 januari 2020 wijzigt de kleine ondernemersregeling (KOR). De nieuwe regeling gaat uit van een omzetgrens van €20.000 per jaar. De regeling mag vanaf 2020 ook worden toegepast door rechtspersonen, waaronder verenigingen, stichtingen, B.V.’s. De kleine ondernemer die met ingang van 1 januari 2020 de KOR wil toepassen kan dit vanaf 1 juni 2019 bij de inspecteur melden, maar moet dit uiterlijk op 20 november 2019 doen. Het verdient aanbeveling om die datum alvast in de agenda te zetten.

  
MARGEREGELING/REISBUREAUREGELING

Verrekening jaarwinstmarge(s) 

Een wederverkoper van margegoederen of een reisbureau (incl. touroperator) die de winstmarge niet per transactie, maar per tijdvak vaststelt (de zogenoemde globalisatieregeling) dient na afloop van het kalenderjaar 2018 de winstmarges van alle aangiftetijdvakken te salderen en het jaarsaldo (de jaarwinstmarge) vast te stellen. De wederverkoper moet de winstmarges van de verschillende tijdvakken salderen per goederensoort, dat wil zeggen: afzonderlijk voor goederen waarop het verlaagde tarief (6%) van toepassing is en voor goederen waarop het algemene btw-tarief (21%) van toepassing is. Na verrekening kan uit de jaarwinstmarge blijken dat minder btw verschuldigd is dan de wederverkoper/het reisbureau in 2018 op aangifte heeft voldaan. In dat geval kan de wederverkoper/het reisbureau de te veel voldane btw door middel van een schriftelijk verzoek terugvragen in het eerste aangiftetijdvak na afloop van 2018. De inspecteur stelt het bedrag dat de wederverkoper terugkrijgt, vervolgens vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.

Als een wederverkoper/reisbureau in 2018 een negatieve jaarwinstmarge behaald heeft, ontvangt hij, op verzoek, alle in 2018 voldane btw terug ter zake van margeverkopen. Bovendien moet hij de inspecteur schriftelijk verzoeken om de jaarwinstmarge op het negatieve bedrag vast te stellen. De hierop volgende beschikking van de inspecteur is voor bezwaar vatbaar. Het voordeel van de vaststelling van de negatieve jaarwinstmarge is dat de wederverkoper/het reisbureau deze mag verrekenen met de positieve jaarwinstmarge van 2019. Voor de wederverkoper dient de verrekening plaats te vinden per goederensoort, dat wil zeggen afzonderlijk voor goederen waarop het 6%-tarief (vanaf 1 januari 2019: 9%)  van toepassing is en voor goederen waarop het 21%-btw-tarief van toepassing is.


BUITENLANDSE BTW


MOSS
Nederlandse ondernemers die elektronische, telecommunicatie- of omroepdiensten (hierna: digitale diensten) verlenen aan particulieren/niet-ondernemers (hierna: consumenten) in andere EU-lidstaten zijn hierover sinds 2015 btw verschuldigd in de lidstaat van de afnemer. Om te voorkomen dat een Nederlandse ondernemer zich in verschillende EU-lidstaten moeten registreren en aldaar btw-aangiften moeten indienen, is de Mini One Stop Shop-regeling (MOSS) of – in het Nederlands – de mini-één-loket-regeling in het leven geroepen. Voor het gebruik van de MOSS moet u zich aanmelden bij de Belastingdienst. Het gebruik van de MOSS is niet met terugwerkende kracht mogelijk. 

 

Met ingang van 1 januari 2019 wordt tegemoet gekomen aan kleine ondernemers die via het internet in beperkte mate digitale diensten verlenen aan consumenten in andere lidstaten. Ondernemers die maar in één lidstaat gevestigd zijn en digitale verrichten aan consumenten in andere lidstaten zijn pas vanaf het drempelbedrag van €10.000 buitenlandse btw verschuldigd. Deze ondernemers kunnen wel kiezen – bijv. vanwege gunstiger btw-tarief in de lidstaat van de consument– om btw in de lidstaat van de consument te voldoen.


 Wilt u deskundige hulp bij het registreren voor de MOSS en/of wilt u weten of en, zo ja, in welke EU-lidstaten u btw verschuldigd bent en hoeveel? De btw-specialisten van BTW-INSTITUUT nemen u deze zorg graag uit handen. Ook kunnen zij voor u checken of de facturen voldoen aan de lokale factuurvereisten en, zo nee, wat u dient te veranderen om wel aan deze vereisten te voldoen.

 
Afstandsverkopen
Een ondernemer die (bijv. via een webshop) goederen verkoopt aan particulieren en niet-aftrekgerechtigde ondernemers of rechtspersonen zonder buitenlands btw-identificatienummer in andere EU-lidstaten kan te maken krijgen met een registratieverplichting voor btw-doeleinden in het buitenland. Hiervan is sprake indien de ondernemer zorg draagt voor het vervoer en de verzending naar een andere EU-lidstaat en het door de lidstaat van bestemming vastgestelde drempelbedrag is overschreden. Op de website van BTW-PLAZA kunt u een overzicht downloaden van de buitenlandse grensbedragen voor afstandsverkopen.


 Neem bij overschrijding van één of meerdere drempelbedragen in 2018 (en eventuele vorige jaren) contact met op met de btw-specialisten van BTW-INSTITUUT. Zij kunnen u informeren over de risico’s en de mogelijkheden om ten aanzien van 2018 (en eventuele vorige jaren) alsnog aan de btw-verplichtingen te voldoen. Daarnaast kunnen zij zorgen voor de benodigde btw-registratie(s) evenals het indienen van de periodieke buitenlandse btw-aangiften. Ten slotte kunnen zij voor u nagaan of het in verband met een lager btw-tarief voordeliger is om u vanaf de eerste afstandsverkoop in het buitenland te registreren voor de btw.


Teruggaaf buitenlandse btw

Buitenlandse btw die de ondernemer in 2018 in een andere EU-lidstaat heeft betaald, dient uiterlijk op 30 september 2019 te worden teruggevraagd via de elektronische portaalsite van de Belastingdienst. Het verdient aanbeveling om deze datum alvast te noteren in uw agenda. De Nederlandse Belastingdienst stuurt dit verzoek door naar het land dat de teruggaaf moet verlenen.

 Het berekenen van de btw die voor teruggaaf in aanmerking komt, vergt kennis van de lokale btw-regels in de lidstaat van teruggaaf. Het niet zorgvuldig indienen van (hoge) teruggaafverzoeken kan leiden tot nadere vragen van de lidstaat van teruggaaf. Hierdoor kan de terugbetaling van de buitenlandse btw aanzienlijk vertraagd worden. Bovendien wordt een teruggaafverzoek geweigerd indien u zich voor een levering of dienst een btw-nummer in die EU-lidstaat had moeten aanvragen. Wilt u dit risico tot een minimum te beperken? Maak gebruik van de btw- en accijnsteruggavetool op BTW-PLAZA of neem contact op met de btw-specialisten van BTW-INSTITUUT.

 
BTW-AANGIFTE

Pas indien nodig btw-aangiftetermijn aan

Het indienen van een btw-aangifte per kwartaal in plaats van per maand levert een financieringsvoordeel op indien de btw-ondernemer per kwartaal per saldo btw moet betalen. Als een btw-ondernemer – bijv. vanwege goederenleveringen of diensten met 0% btw of diensten aan buitenlandse afnemers – per kwartaal per saldo recht heeft op een teruggaaf van btw dan verdient het aanbeveling om per maand btw-aangifte te gaan doen. Hierdoor beschikt de btw-ondernemer sneller over de terug te ontvangen btw.


Suppletieaangifte
Indien blijkt dat er in de periode van 2013 tot en met 2018 te weinig btw is voldaan moet de btw-ondernemer (op straffe van een vergrijpboete van maximaal 100%) door middel van een suppletieaangifte de onjuist ingediende btw-aangifte(n) herstellen. Het suppletieaangifteformulier is te downloaden op de website van de Belastingdienst, maar kan ook in de beveiligde omgeving elektronisch worden ingevuld en ingediend. Een correctie van de laatst ingediende btw-aangifte (derde kwartaal of november 2018) tot een bedrag van € 1.000 mag in de laatste btw-aangifte over 2018 worden verwerkt.


 De Belastingdienst controleert de jaarrekeningen op openstaande btw-schulden. Indien in de jaarrekening een openstaande btw-schuld staat en de ondernemer geen suppletieaangifte indient dan neemt hij hiermee een risico op een forse vergrijpboete!

Het indienen van een suppletieaangifte kan leiden tot een verzuimboete wanneer de suppletieaangifte bedoeld is voor het herstel van eerder te laag berekende en op aangifte voldane btw. Wanneer de suppletieaangifte vrijwillig wordt ingediend legt de inspecteur geen vergrijpboete op. De inspecteur legt ook geen verzuimboete op indien de verschuldigde btw € 20.000 is of minder of minder is dan 10% van het eerder in het tijdvak waarop de suppletieaangiften betrekking heeft, betaalde bedrag. In andere gevallen bedraagt de verzuimboete 5% van het verschuldigde bedrag met een maximumbedrag van € 5.278. Er mag geen verzuimboete worden opgelegd als er sprake is van afwezigheid van alle schuld of een pleitbaar standpunt.


ADMINISTRATIE

Oude administratie

Boeken, bescheiden en andere gegevensdragers moeten normaal gesproken zeven jaar bewaard worden. De wettelijke bewaarplicht geldt voor het grootboek, de facturen van debiteuren en crediteuren, voorraadgegevens, in- en verkoopadministratie, etc. Voor gegevensdragers met betrekking tot onroerende goederen geldt een bewaarplicht van negen jaren na het jaar van ingebruikneming. Het maakt voor de bewaarplicht niet uit of het papieren of elektronische gegevensdragers zijn. De oude administratie waarvoor de bewaartermijn verstreken is kunt u daarom vernietigen, tenzij over deze jaren nog een bezwaar- of beroepsprocedure inzake de btw aanhangig is.

BTW-PLAZA heeft de eindejaarstips 2018 met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Niettemin aanvaardt BTW-PLAZA geen aansprakelijkheid voor eventuele onjuistheden of onvolkomenheden in de eindejaarstips 2018. Niets uit deze eindejaarstips 2018 mag zonder voorafgaande toestemming van BTW-PLAZA worden overgenomen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op