1 juni 2015Eenzijdige creditering deel factuur onvoldoende bewijs voor niet-betaling afnemer

Niet-betaling door een afnemer of een prijsvermindering na het leveren van een goed of het verrichten van een dienst leidt op grond van art. 29, lid 1 Wet OB tot een teruggaaf van de btw die terecht is afgedragen dan wel de btw die drukt op het bedrag waarmee de aanvankelijk overeengekomen prijs is verminderd. In onderstaande zaak staat de vraag centraal of een ondernemer recht heeft op teruggaaf van btw op grond van niet-betaling door de afnemer dan wel het verlenen van een prijsvermindering. 

A B.V. (hierna: A) heeft in 2006 een licentie verleend aan E B.V. (hierna: E) tegen betaling van een bedrag van € 18 miljoen. E heeft een deel van deze prijs, namelijk € 7 miljoen, betaald. Het resterende bedrag van € 11 miljoen heeft E niet betaald. A heeft in april 2008 een verzoek om teruggaaf van ruim  € 1,7 miljoen btw gedaan, op de grond dat het bedrag van € 11 miljoen niet meer zou worden ontvangen. De inspecteur van de Belastingdienst heeft dit teruggaafverzoek afgewezen, omdat volgens hem niet was aangetoond dat het bedrag niet meer zou worden ontvangen. In 2008 heeft F N.V. de vordering van A op E overgenomen, de licentieovereenkomst beëindigd en E een creditfactuur gestuurd. E heeft deze creditfactuur echter geretourneerd en er daarbij op gewezen dat zij de beëindiging van de overeenkomst nooit heeft geaccepteerd. Bij de btw-aangifte over het vierde kwartaal van 2008 heeft A opnieuw een teruggaafverzoek gedaan, dat opnieuw door de inspecteur is geweigerd. 

In eerste aanleg heeft Rechtbank Arnhem in deze zaak geoordeeld dat A geen recht heeft op teruggaaf van het btw-bedrag. In hoger beroep komt Hof Arnhem-Leeuwarden tot eenzelfde oordeel. Volgens het hof heeft A niet aannemelijk gemaakt dat de licentieovereenkomst uiterlijk in het vierde kwartaal van 2008 is beëindigd en dat in dit kwartaal een prijsvermindering is verleend. De uitreiking van een creditfactuur is op zichzelf niet voldoende voor het bewijs dat een prijsvermindering is verleend, aldus het hof. Bovendien heeft A niet een deel van de vergoeding terugbetaald aan E (wat veronderstelt dat de vergoeding eerst is ontvangen), maar deze vergoeding nooit ontvangen. Het teruggaafverzoek is naar het oordeel van het hof daarom terecht geweigerd. 

In cassatie overweegt de Hoge Raad dat A haar teruggaafverzoek erop had gegrond dat zij een bedrag van € 11 miljoen niet had ontvangen en evenmin nog zou ontvangen, aangezien zij had afgezien van het vorderen van dit bedrag en dit bij de creditfactuur met een begeleidende brief aan E had laten weten. Het hof heeft vervolgens volstaan met het geven van een oordeel over de vraag of de overeenkomst tussen A en G rechtsgeldig was beëindigd en of A een prijsvermindering had verleend (ex art. 29, lid 1, sub b Wet OB). Dit volstaat niet om een teruggaaf op grond van niet-betaling door de afnemer ((ex art. 29, lid 1, sub a Wet OB) te weigeren, aldus de Hoge Raad. 

Het hof heeft wel met juistheid geoordeeld dat A geen recht heeft op teruggaaf van btw bij prijsvermindering, aangezien hierop geen recht bestaat indien de vergoeding (nog) niet aan de ondernemer is betaald, ook niet als het gaat om bij het verrichten van de levering of dienst in rekening gebrachte bedragen die pas achteraf hoeven te worden betaald (in betalingstermijnen), aldus de Hoge Raad. 

De Hoge Raad verwijst de zaak naar Hof Den Bosch om te onderzoeken of A met al hetgeen zij heeft aangevoerd, aannemelijk heeft gemaakt dat zij de betalingstermijnen niet meer zou ontvangen. Daarvoor is het volgens de Hoge Raad niet voldoende dat A bij het uitreiken van de creditfactuur met begeleidende brief aan G heeft laten weten dat zij afziet van het vorderen van de betalingstermijnen, indien A daartoe slechts bereid was als ook de overeenkomst tussen partijen daarmee was beëindigd. Hof Den Bosch zal de zaak verder moeten behandelen en daarin moeten beslissen met inachtneming van dit arrest van de Hoge Raad.

Zie