25 januari 2016Diensten die niet onontbeerlijk zijn voor bejaardenzorg en -bijstand btw-belast

Een woonzorgcentrum met winstoogmerk, dat woonruimte en bijkomende diensten tegen betaling aanbiedt aan ouderen en geen subsidie of financiële steun van de overheid ontvangt, kan kwalificeren als organisatie die als instelling van sociale aard is erkend, zo heeft het HvJ recent geoordeeld. Het aanbieden van diensten die niet onontbeerlijk zijn voor de geboden zorg en bijstand is echter belast met btw.

De Belgische vennootschap Les Jardins de Jouvence SCRL (hierna: Jardins) heeft als doel de exploitatie en het beheer van zorginstellingen en de uitoefening van alle activiteiten die rechtstreeks of indirect verband houden met gezondheidszorg aan (met name) zieken en bejaarden. Concreet stelt Jardins voor een of twee personen ontworpen woonruimten met een ingerichte keuken, een woonkamer, een kamer en een ingerichte badkamer ter beschikking. Verder biedt zij tegen betaling diverse diensten aan haar huurders en andere personen aan, te weten een bar-restaurant, een kap- en schoonheidssalon, een fysiotherapiezaal, ergotherapeutische activiteiten, een wasserij, een lokaal voor bloedproeven en een artsenpraktijk. Jardins heeft in de jaren 2004 tot en met 2006 naast het bestaande bejaardentehuis een nieuw gebouw op laten trekken, bestemd voor het woon-zorgcentrum. De btw op de bouw heeft zij in aftrek gebracht. De Belgische fiscus is echter van mening dat Jardins geen recht heeft op aftrek van de btw, aangezien de activiteiten van het woonzorgcentrum naar haar mening kwalificeren als leveringen en diensten die nauw samenhangen met maatschappelijk werk door als zodanig erkende instellingen voor bejaardenzorg. Jardins meent echter dat dit niet het geval is, aangezien het woonzorgcentrum een winstoogmerk heeft en het feit dat noch zijzelf, noch de bewoners van het woonzorgcentrum een subsidie of financiële steun van de overheid ontvangen, aantoont dat zij niet kwalificeert als een “organisatie die als instelling van sociale aard is erkend” in de zin van de btw-richtlijn. De Belgische rechter heeft daarop vragen gesteld aan het HvJ EU.

Het HvJ heeft in deze zaak allereerst geoordeeld dat de Belgische rechter zal moeten beoordelen of het woonzorgcentrum zoals aan de orde in dit geding, dat personen van minimaal 60 jaar oud woonruimte aanbiedt die hen in staat stelt volledig zelfstandig te leven, alsmede tegen betaling bijkomende diensten aanbiedt – waar ook niet-bewoners gebruik van kunnen maken – en dat geen enkele financiële steun van de overheid ontvangt, kan kwalificeren als een organisatie die als instelling van sociale aard is erkend en diensten verstrekt die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en derhalve zijn vrijgesteld van btw-heffing. Om te kunnen beoordelen of dit het geval is, zal de Belgische rechter na moeten gaan of deze kwalificatie de grenzen overschrijdt van de beoordelingsbevoegdheid die de lidstaten hebben. De rechter moet hierbij rekening houden met het feit dat in het Waalse Gewest (Wallonië, een deelstaat van België) de zogeheten ‘assistentiewoningen’, zoals aan de orde in het hoofdgeding, samen met bejaardentehuizen en dagcentra ondergebracht zijn in één enkele regeling, die voorschriften vaststelt voor de verschillende geïnstitutionaliseerde vormen van bijstand en verzorging van bejaarden.

Voorts oordeelt het HvJ dat de terbeschikkingstelling van woonruimte in een assistentiewoning aan bejaarden in aanmerking voor de vrijstelling. De andere prestaties vallen in beginsel eveneens onder de vrijstelling, aldus het HvJ, in het bijzonder als deze prestaties – die deze assistentiewoning volgens de nationale regeling verplicht moet aanbieden – strekken tot bejaardenzorg en –bijstand en overeenkomen met de prestaties die bejaardentehuizen volgens deze nationale regeling moeten aanbieden. Het feit dat Jardins geen financiële steun van de overheid ontvangt en voor de door haar verstrekte diensten geen aanspraak kan worden gemaakt op terugbetaling door de sociale zekerheid, doet hieraan niets af. De facultatieve diensten, die zowel aan bewoners als niet-bewoners worden aangeboden, kunnen – voor zover zij overeenkomen met de diensten die bejaardentehuizen aanbieden – worden geacht nauw samen te hangen met maatschappelijk werk en onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen. Uit een nationaal besluit blijkt dat de mogelijkheden om een maaltijd te nemen en het huis, de kleding en het beddengoed te laten reinigen tot de verlangde facultatieve diensten behoren. Deze diensten lijken dan ook onontbeerlijk te zijn, in tegenstelling tot andere facultatieve diensten zoals de kap- en schoonheidssalon. De Belgische rechter zal dit na moeten gaan.

Bij zijn oordeel over welke diensten als onontbeerlijk voor het maatschappelijk werk worden gezien, maakt het HvJ geen scheiding tussen diensten aan bewoners en niet-bewoners, maar neemt zij de nationale regeling voor bejaardentehuizen, assistentiewoningen en dagcentra als uitgangspunt. Dit voorkomt dat diensten zoals de prestaties door de kapsalon, het restaurant, de snackbar, schoonheidssalon enzovoorts, die op zichzelf niets met bejaardenzorg te maken hebben, als onontbeerlijk voor het maatschappelijk werk worden gezien. Zie