9 november 2012Dga hoofdelijk aansprakelijk voor btw-schulden fiscale eenheid

Een directeur-grootaandeelhouder (hierna: dga) heeft samen met ‘zijn’ B.V. de inspecteur per brief verzocht om aangemerkt te worden als een fiscale eenheid voor de btw. Bij beschikking van 20 mei 2003 heeft de inspecteur dit ingewilligd. Op 31 augustus 2005 en 21 september 2005 is op de naam van de fiscale eenheid btw-aangifte gedaan voor de tijdvakken juli en augustus 2005. De volgens de aangifte te betalen bedragen zijn niet betaald. De inspecteur heeft de fiscale eenheid naheffingsaanslagen opgelegd, die onbetaald zijn gebleven.

De ontvanger heeft bij beschikking van 17 augustus 2006 de dga op grond van art. 43, lid 1 Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990) aansprakelijk gesteld voor de onbetaalde btw. Naar de mening van de dga ten onrechte omdat hij volgens het Van der Steen-arrest ten onrechte is opgenomen in een fiscale eenheid met ‘zijn’ B.V. en aan de betekenis van de beschikking beperkte betekenis toekomt.

Hof Amsterdam heeft de dga in hoger beroep in het gelijk gesteld. Tegen deze uitspraak is cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad is van oordeel dat uit art. 43, lid 1 IW 1990 blijkt dat de hoofdelijke aansprakelijkheid blijft bestaan totdat de inspecteur in kennis is gesteld van het feit dat de fiscale eenheid niet langer bestaat. Hieruit volgt dat de hoofdelijke aansprakelijkheid ook kan bestaan indien niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor een fiscale eenheid. Omdat de onderhavige situatie naar het oordeel van de Hoge Raad hiervan niet wezenlijk verschilt, is de dga terecht hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de btw-schulden van de fiscale eenheid.

Voor dit arrest en meer informatie zie 1.8.      

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op