14 december 2012Dga geen btw verschuldigd vanwege einde ondernemerschap

De Hoge Raad oordeelde in 2002 dat het redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is dat de dga die tegen vergoeding van salaris werkzaamheden verricht voor ‘zijn’ B.V. btw-ondernemer is. Het HvJ EU oordeelde op 18 oktober 2007 in het Van der Steen-arrest anders. Naar aanleiding van het Van der Steen-arrest heeft de staatssecretaris op 2 januari 2008 een besluit gepubliceerd waarin hij aangeeft wat de gevolgen zijn van het einde van het btw-ondernemerschap van de Hoge Raad. Conform dit besluit (zie 1.8) moet de dga/fiscale eenheid btw voldoen ter zake van goederen waarvan de aftrek nog niet definitief is (lees: waarvan de herzieningsperiode nog niet is verstreken en die vanwege het einde van het btw-ondernemerschap ‘overgaan’ naar het privévermogen van de dga). Hierbij kan gedacht worden aan een volledig zakelijk geëtiketteerde woning van de dga die vanuit het btw-ondernemingsvermogen van de fiscale eenheid/dga ‘overgaat’ naar privé. Tegen dit besluit is massaal bezwaar aangetekend door de fiscale eenheden/dga’s. De meeste bezwaren zijn aangehouden in afwachting van een eindbeslissing van de Hoge Raad in een aantal ‘proefprocedures’. Vandaag heeft de Hoge Raad deze eindbeslissing genomen.

Hoewel A-G Van Hilten de Hoge Raad in deze procedures heeft geadviseerd om te oordelen dat de dga/fiscale eenheid wel btw verschuldigd is vanwege de ‘overgang’ van goederen waarvan de aftrek nog niet definitief was naar het privévermogen van de dga, heeft de Hoge Raad in een tweetal procedures geoordeeld dat geen sprake is van een belastbaar feit voor de btw en om die reden geen btw verschuldigd is ter zake van goederen waarvan de aftrek nog niet definitief was. In cassatie was door de Minister van Financiën, met een beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, aangevoerd dat door de fiscale eenheden/dga’s eerder was gehandeld alsof sprake was van ondernemerschap en dat om die reden ook bij beëindiging van het ondernemerschap de aan het ondernemerschap verbonden verplichtingen nagekomen zouden moeten worden. De Hoge Raad oordeelt echter dat deze rechtsbeginselen niet met zich meebrengen dat een nationaal bestuursorgaan (in casu de Belastingdienst) een vordering jegens een persoon geldend kan maken zonder dat daarvoor een grondslag in het nationale recht is.

Ten aanzien van het recht op aftrek dat ter zake van goederen is genoten door de fiscale eenheid/dga in de periode vanaf de uitspraak van de Hoge Raad 2002 tot aan de datum van het dga-besluit, overweegt de Hoge Raad dat deze aftrek weliswaar is verworven in strijd met de richtlijn en de wet, maar dat de in aftrek gebrachte btw op grond van het rechtszekerheidsbeginsel niet kan worden nageheven. De rechten die de fiscale eenheid/dga heeft verworven door overeenkomstig de door de Hoge Raad gewezen jurisprudentie te handelen, kan de fiscale eenheid/dga niet met terugwerkende kracht worden ontnomen.

In de eerstkomende nieuwsbrief zal uitgebreid worden ingegaan op de context van deze uitspraak. Zie 1.8 voor meer informatie over de dga.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op