20 november 2015Deel omzet speelautomatenhallen is btw-belaste vergoeding voor gebruik vergunning

Het deel van de omzet van speelautomatenhallen die een BV ontvangt voor het gebruik van zijn vergunningen, kwalificeert als vergoeding voor door hem verrichte diensten.

In 1989 is X B.V. (hierna: X) een overeenkomst aangegaan met een van haar bestuurders (die beschikt over een aanwezigheids- en exploitatievergunning) en een beheerbedrijf voor de opzet en exploitatie van speelautomatenhallen. X ontvangt op basis van deze overeenkomst een percentage van de omzet die behaald wordt met de vergunningen. X factureert dit percentage aan het beheerbedrijf met de omschrijving “omzetrecht”. De B.V. van A factureert op haar beurt haar winstdeel aan X. Dit is een percentage van 25% van het bedrag dat X van het beheerbedrijf ontvangt. X heeft in de btw-aangifte over het eerste kwartaal van 2012 een bedrag van € 26.498 aan verschuldigde btw opgenomen, dit bedrag op aangifte voldaan en hier vervolgens bezwaar tegen gemaakt. In geschil is een btw-bedrag van € 14.555. X meent dat de bedragen die zij van het beheerbedrijf ontvangt niet belast zijn met btw. Primair voert X aan dat zij slechts optreedt als kassier voor de B.V. van A, die een pand verhuurt aan het beheerbedrijf. Subsidiair stelt X dat de bedragen verband houden met een partageovereenkomst tussen X en het beheerbedrijf, strekkende tot het gelegenheid geven tot het spelen van kansspelen en dat het aandeel dat X hierin heeft, deelt in de vrijstelling voor kansspelen. Meer subsidiair stelt X dat sprake is van borgtocht, een eveneens vrijgestelde prestatie. De inspecteur bestrijdt de stellingen van X en komt niet aan het bezwaar tegemoet.

Rechtbank Noord-Holland heeft het beroep van X in deze zaak ongegrond verklaard, waarna X in hoger beroep is gegaan. Hof Amsterdam heeft recent geoordeeld dat de rol van X niet beperkt is tot kassier, aangezien X 75% van de vergoeding die het beheerbedrijf betaalt, door X zelf wordt behouden om als winst uit te delen aan haar aandeelhouders. De vergoedingen vormen een betaling voor een door X verrichte dienst. Het hof is voorts van oordeel dat X er niet in is geslaagd een (mondelinge) partageovereenkomst aannemelijk te maken. daarbij neemt het hof in aanmerking dat partijen een omzet/vergoeding hebben afgesproken in de samenwerkingsovereenkomst, die niet kwalificeert als een partageovereenkomst omdat niet blijkt dat X deelt in een eventueel verlies. Partijen handelen dan immers niet voor gezamenlijke rekening en risico en delen niet alle vruchten van de samenwerking. Tot slot kan volgens het hof geen sprake zijn van een overeenkomst van borgtocht of een vergelijkbare zekerheids- of garantieverbintenis. X is namelijk niet in staat om de nakoming van de verhuur van het gebouw aan het beheerbedrijf te garanderen, nu zij geen eigenaar, verhuurder of anderszins (zakelijk) gerechtigde is. Het beroep van X op het neutraliteitsbeginsel slaagt evenmin, omdat de prestatie van X niet vergelijkbaar is met vrijgestelde kansspelen of borgtocht. Het hoger beroep van X is daarom ongegrond.

Zie