8 juli 2016Creditfactuur onvoldoende voor btw-teruggaaf oninbare vorderingen

Niet-betaling door een afnemer of een prijsvermindering na het verrichten van een btw-belaste prestatie leidt op grond van art. 29, lid 1 Wet OB tot een (gedeeltelijke) teruggaaf van de voldane btw. Maar hoe bewijs je dat de afnemer niet (meer) betaalt? Een creditfactuur is niet altijd voldoende, zo blijkt uit een uitspraak van Hof Den Bosch. 

In deze zaak gaat het om A B.V. (hierna: A) die in 2006 een licentie heeft verleend aan E B.V. (hierna: E) tegen betaling van een bedrag van € 18 miljoen. E heeft een deel van deze prijs, namelijk € 7 miljoen, betaald. Het resterende bedrag van € 11 miljoen heeft E niet betaald. A heeft in april 2008 een verzoek om teruggaaf van ruim  € 1,7 miljoen btw gedaan, op de grond dat het bedrag van € 11 miljoen niet meer zou worden ontvangen. De inspecteur van de Belastingdienst heeft dit teruggaafverzoek afgewezen, omdat volgens hem niet was aangetoond dat het bedrag niet meer zou worden ontvangen. In 2008 heeft F N.V. de vordering van A op E overgenomen, de licentieovereenkomst beëindigd en E een creditfactuur gestuurd. E heeft deze creditfactuur echter geretourneerd en er daarbij op gewezen dat zij de beëindiging van de overeenkomst nooit heeft geaccepteerd. Bij de btw-aangifte over het vierde kwartaal van 2008 heeft A opnieuw een teruggaafverzoek gedaan, dat opnieuw door de inspecteur is geweigerd. 

In eerste aanleg heeft Rechtbank Arnhem in deze zaak geoordeeld dat A geen recht heeft op teruggaaf van het btw-bedrag. In hoger beroep komt Hof Arnhem-Leeuwarden tot eenzelfde oordeel. In cassatie overweegt de Hoge Raad dat A haar teruggaafverzoek erop had gegrond dat zij een bedrag van € 11 miljoen niet had ontvangen en evenmin nog zou ontvangen, aangezien zij had afgezien van het vorderen van dit bedrag en dit bij de creditfactuur met een begeleidende brief aan E had laten weten. Het hof heeft volstaan met het geven van een oordeel over de vraag of de overeenkomst tussen A en G rechtsgeldig was beëindigd en of A een prijsvermindering had verleend (ex art. 29, lid 1, sub b Wet OB). Dit volstaat niet om een teruggaaf op grond van niet-betaling door de afnemer (ex art. 29, lid 1, sub a Wet OB) te weigeren, aldus de Hoge Raad. Het hof heeft wel met juistheid geoordeeld dat A geen recht heeft op teruggaaf van btw bij prijsvermindering, aangezien hierop geen recht bestaat indien de vergoeding (nog) niet aan de ondernemer is betaald, ook niet als het gaat om bij het verrichten van de levering of dienst in rekening gebrachte bedragen die pas achteraf hoeven te worden betaald (in betalingstermijnen), aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Den Bosch om te onderzoeken of A met al hetgeen zij heeft aangevoerd, aannemelijk heeft gemaakt dat zij de betalingstermijnen niet meer zou ontvangen.

Hof Den Bosch acht het aannemelijk dat A de creditfactuur heeft gestuurd in verband met de beëindiging van de licentieovereenkomst en dat A slechts wenste af te zien van de betalingstermijnen als de licentieovereenkomst per 1 augustus 2008 als beëindigd kon worden beschouwd. E heeft de beëindiging van de licentieovereenkomst niet geaccepteerd en heeft de creditfactuur daarom ook niet geaccepteerd. Indien A de creditfactuur los ziet van de beëindiging van de licentieovereenkomst had het naar het oordeel van het hof voor de hand gelegen indien A in reactie op de terugzending van de creditfactuur aan E had medegedeeld dat zij afzag van de betalingstermijnen ondanks het verschil van mening over de vraag of de licentieovereenkomst al dan niet was beëindigd. Gelet op de verklaring van de gemachtigde van A ter zitting bij Rechtbank Arnhem dat A het merkenrecht terug wilde en daarom niet bereid was het onbetaalde deel van de betalingstermijnen onvoorwaardelijk kwijt te schelden acht het hof aannemelijk dat A niet onvoorwaardelijk heeft afgezien van de betaling van de openstaande betalingstermijnen. Met het uitreiken van de creditfactuur heeft A derhalve niet aannemelijk gemaakt dat zij de openstaande betalingstermijnen niet meer zou ontvangen. Omdat het merkenrecht in het vierde kwartaal 2008 nog een (wezenlijke) waarde had, acht het hof evenmin aannemelijk dat in dat kwartaal was uitgesloten dat E de openstaande betalingstermijnen nog zou betalen. Of op een later moment recht bestaat op teruggaaf kan het hof in deze zaak niet beantwoorden.  

 Uit deze procedure volgt dat het uitreiken van een creditfactuur niet volstaat om de btw op de openstaande vorderingen terug te krijgen indien de crediteur niet onvoorwaardelijk afziet van de betaling van de openstaande vordering door de debiteur. Zie 4.14 voor meer informatie over de teruggaaf van btw bij niet-betaling door de afnemer en 4.15 voor teruggaaf bij  prijsvermindering.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op