13 november 2014Collegegeld is vergoeding voor btw-vrijgesteld onderwijs

Als een btw-ondernemer ingekochte goederen en diensten zowel voor belaste als vrijgestelde activiteiten gebruikt, dient hij te bepalen welk deel van de in rekening gebrachte of verschuldigde btw aftrekbaar is. De hoofdregel voor de bepaling van de evenredige aftrek, ook wel pro rata-aftrek genoemd, is dat deze wordt bepaald naar rato van de omzet van de belaste activiteiten ten opzichte van de totale omzet van de economische activiteiten. 

Een instelling voor hoger onderwijs (hierna: de onderwijsinstelling) verschaft onderwijs en contractonderwijs. Daarnaast verricht zij nog enkele activiteiten die samenhangen met het onderwijs, zoals het verrichten van onderzoek, de exploitatie van een kantine, het verzorgen van kopieerwerk en het verhuren van ruimten. De onderwijsinstelling financiert haar activiteiten vanuit diverse inkomstenbronnen, waaronder ruim € 14,3 miljoen aan overheidssubsidies en ruim € 4,7 miljoen aan collegegelden. De onderwijsinstelling is van mening dat bij de berekening van de pro rata-aftrek de door haar ontvangen overheidssubsidies niet als vergoedingen meegenomen kunnen worden in de totale omzet. De door haar ontvangen collegegelden kwalificeren naar de mening van de onderwijsinstelling wel als vergoedingen voor door haar geleverde prestaties, namelijk het verstrekken van onderwijs. De inspecteur van de Belastingdienst meent daarentegen dat de collegegelden geen vergoeding vormen voor de prestaties van de onderwijsinstelling. 

In haar oordeel overweegt Rechtbank Noord-Nederland dat in het onderhavige geval vaststaat dat de hoogte van het collegegeld wettelijk is vastgesteld en niet is gekoppeld aan het afzonderlijk gebruik van de door de onderwijsinstelling verleende onderwijsdiensten. Desondanks houdt het collegegeld wel degelijk rechtstreeks verband met de onderwijsdiensten, aangezien de studenten enkel collegegeld verschuldigd zijn indien en voor zover zij gebruik maken van de onderwijsdiensten. Hieruit kan worden afgeleid dat over en weer prestaties worden uitgewisseld. De omstandigheid dat het collegegeld niet gelijk is aan de werkelijke waarde van de onderwijsdiensten is in beginsel niet relevant, tenzij sprake zou zijn van een symbolische vergoeding. Hoewel het collegegeld niet de werkelijke waarde van de onderwijsdiensten vertegenwoordigt, is de hoogte ervan te substantieel om te kwalificeren als symbolische vergoeding, aldus de rechtbank. Het collegegeld vormt dan ook een vergoeding voor een door de onderwijsinstelling te verrichten prestatie, zodat de onderwijsdiensten kwalificeren als economische activiteiten. 

De inspecteur van de Belastingdienst heeft subsidiair aangevoerd dat de aftrek van voorbelasting moet worden berekend aan de hand van het werkelijke gebruik van de goederen en diensten, aangezien de op basis van omzetverhoudingen vastgestelde aftrek geen recht doet aan de situatie. De verhouding in financieringsbronnen zou een nauwkeuriger beeld geven, nu de onderwijsinstelling een zeer groot bedrag aan overheidssubsidies ontvangt die in de pro rata-aftrek buiten beschouwing blijven, aldus de inspecteur. Hoewel de rechtbank aan de inspecteur toegeeft dat aftrek op basis van omzetverhoudingen in casu wellicht niet geheel aansluit op het feitelijk gebruik van de ingekochte goederen en diensten, vindt de stelling dat aftrek op basis van financieringsbronnen een nauwkeuriger beeld geeft van het werkelijk gebruik in zijn algemeenheid geen steun in het recht. De rechtbank verklaart het beroep van de onderwijsinstelling gegrond.

Zie 4.1 voor meer informatie over de vergoeding en 10.4 voor meer informatie over de pro rata-aftrek.?? 

 

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op