22 juli 2016Buitensportactiviteiten belast met het algemene tarief vanwege ontbreken sportaccommodatie

Een activiteiten- en evementenbureau organiseert diverse buitenactiviteiten onder meer bedrijfsuitjes, teambuildingsuitjes, zakelijke evenementen en schoolreisjes welke plaatsvinden op zee, op het strand, in het bos en in de duinen. In tegenstelling tot Rechtbank-Noord Nederland oordeelt  Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat geen sportaccommodatie ter beschikking wordt gesteld en daardoor het verlaagd tarief niet van toepassing is. Dit omdat belastingplichtige niet het exclusieve gebruiksrecht heeft van de openbare ruimtes.

Een activiteiten- en evenementenbureau (hierna: de organisator) organiseert diverse buitenactiviteiten voor particulieren en voor de zakelijke markt. Zo verzorgt de organisator onder meer bedrijfsuitjes, teambuildingsuitjes, zakelijke evenementen en schoolreisjes. De activiteiten vinden voornamelijk plaats op zee, op het strand en in de duinen. De activiteiten zijn onder meer beach golf, beach volleybal, boogschieten, coast raften, (branding) kanoën, survival, mountainbiken en bootcamp. De organisator zorgt in de meeste gevallen voor een uitvalsbasis op de plaats waar de activiteiten plaatsvinden, bestaande uit bijvoorbeeld een mobiele omkleedunit met lockers, toiletunit, bankjes en activiteitendak. In sommige gevallen kunnen de deelnemers gebruikmaken van de voorzieningen in het kantoor van de organisator of van de openbare toiletten en de openbare douchegelegenheid in een haven. 

Rechtbank Noord-Nederland heeft in deze zaak eerder geoordeeld dat  in casu het geheel van attributen en voorzieningen zoals dat door de organisator wordt aangewend voor de beoefening van de activiteiten onder het begrip sportaccommodatie valt, behalve bij het kanoën, waarbij de deelnemers gebruikmaken van de openbare toiletten en de openbare douchegelegenheid in een haven, omdat de organisator hier geen exclusief gebruiksrecht bedongen heeft. De rechtbank is bovendien van oordeel dat de beoefende activiteiten kwalificeren als sportbeoefening. Alle activiteiten worden – objectief bezien – in meer of mindere mate in georganiseerd (wedstrijd)verband beoefend, al dan niet met een eigen bond, terwijl de beoefenaars zich bij verenigingen kunnen aansluiten. Naar maatschappelijke opvattingen is er in dergelijke omstandigheden sprake van de beoefening van een sport, aldus de rechtbank, die daarbij opmerkt dat verschillende activiteiten (zoals boogschieten, mountainbiken en beach volleybal) zelfs de status van Olympische sport hebben. De door de organisator georganiseerde activiteiten zijn dus, met uitzondering van het kanoën, belast met 6% btw.

Voor het Hof is in geschil of de activiteiten van de organisator onder het algemene btw-tarief vallen of kunnen delen in het verlaagde btw-tarief. Hierbij is van belang of de activiteiten aan te merken zijn als het gelegenheid geven tot sportbeoefening en of de organisator aan de deelnemers het recht verleent om gebruik te maken van sportaccommodaties.  De inspecteur is van mening dat belanghebbende geen exlusief recht heeft op het gebruik van het terrein waar de activiteiten plaatsvonden, waardoor zij geen sportaccomodatie ter beschikking heeft kunnen stellen. Subsidiair stelt de inspecteur zich op het standpunt dat geen sprake is van sportbeoefening, maar van recreatie. De organisator gaat akkoord met de uitspraak van de rechtbank. Voor het geval de inspecteur in het gelijk wordt gesteld herhaalt de organisator haar beroep op het gelijkheidsbeginsel dat vergelijkbare ondernemers het 6%-tarief wel mogen toepassen.

In het oordeel van deze zaak gaat het Hof er veronderstellenderwijs vanuit dat de activiteiten die de organisator verzorgt als sportactiviteiten kunnen worden gekwalificeerd.  Het Hof overweegt vervolgens dat slechts sprake kan zijn van de ter beschikkingstelling van een accommodatie indien een belastingplichtige het exclusieve gebruiksrecht heeft van die accommodatie. In casu worden de activiteiten verricht op het strand, in zee, in het bos en in de duinen. Het is de organisator weliswaar toegestaan haar activiteiten daar te verrichten, maar de organisator heeft geen exclusief verbruiksrecht, de locaties behoren tot de openbare ruimte waar derden niet geweerd kunnen worden en deze ruimten verliezen tijdens de activiteiten niet hun algemene gebruiksmogelijkheden en functie. Hierdoor is het Hof van oordeel dat de organisator geen sportaccommodatie ter beschikking stelt. De stelling van de organisator dat de als kleedruimte gebruikte trailer als accommodatie kan worden aangemerkt acht het Hof onjuist. Hierbij overweegt het Hof onder meer dat sprake is van een kale trailer met houten bank en kluisjes waarbij geen verdere voorzieningen aanwezig zijn.

Het beroep van de organisator op het gelijkheidsbeginsel – omdat een andere ondernemer het 6%-tarief wel mag toepassen  – faalt, aangezien zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van rechtens en feitelijk gelijke gevallen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op