26 februari 2016Btw-vrijstelling verhuur lig- en bergplaatsen door watersportorganisaties in strijd met unierecht

Naar het oordeel van het HvJ is de Nederlandse btw-vrijstelling voor de verhuur van lig- en bergplaatsen door watersportorganisaties in strijd met de Europese btw-richtlijn. 

In 2010 heeft de Europese Commissie Nederland in een met redenen omkleed advies verzocht de wetgeving aan te passen. Op grond van de btw-richtlijn is de dienstverlening door non-profitorganisaties in verband met de beoefening  van sport of lichamelijke opvoeding vrijgesteld van btw-heffing. De Nederlandse wetgever heeft hieraan de voorwaarde toegevoegd dat watersportorganisaties voor deze dienstverlening gebruik moeten maken van vrijwilligers en niet van werknemers. De reden hiervoor is de angst voor concurrentieverstoring met commerciële jachthavens. De Commissie is van mening dat de aanvullende voorwaarde niet is toegestaan op grond van de btw-richtlijn. Een tweede afwijking doet zich voor bij de verhuur van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen door watersportorganisaties. De Nederlandse wet voorziet in een btw-vrijstelling voor deze verhuuractiviteiten, ook wanneer de verhuur niet samenhangt met sportactiviteiten. De Commissie is van mening dat dit een te ruime toepassing van de vrijstelling is. Naar haar mening geldt de vrijstelling slechts wanneer de lig- en bergplaatsen worden verhuurd voor sportactiviteiten en niet voor louter recreatief of zelfs residentieel gebruik.

Aangezien de Nederlandse autoriteiten geweigerd hebben een wetswijziging door te voeren, is de Europese Commissie in september 2014 een inbreukprocedure gestart tegen Nederland vanwege een vermoedelijke schending van het EU-recht. Het HvJ heeft recent uitspraak gedaan in de inbreukprocedure.

Het HvJ gaat in zijn oordeel allereerst in op de btw-vrijstelling voor de verhuuractiviteiten. Naar het oordeel van het HvJ, die opmerkt dat vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd, vloeit uit de bewoordingen van de vrijstelling in de btw-richtlijn voort dat niet alleen diensten die geheel niet samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding, maar ook diensten die hier niet nauw mee samenhangen zijn uitgesloten van toepassing van de sportvrijstelling. De Nederlandse vrijstelling gaat hierin dus verder dan de vrijstelling in de btw-richtlijn. 

Het HvJ wijst het argument van de Nederlandse regering dat het moeilijk is om een onderscheid te maken tussen sportief en recreatief gebruik, met name wanneer de vaartuigen voor beide doeleinden gebruikt kunnen worden, af. Er is volgens het HvJ geen sprake van een samengestelde handeling waarvan het overheersende onderdeel moet worden bepaald. De nationale rechter zal regels in moeten voeren op basis waarvan het onderscheid tussen de typen voertuigen gemakkelijker kan worden gecontroleerd en gehandhaafd. 

Vervolgens oordeelt het HvJ, ingaande op de eerste grief van de EC, dat de btw-richtlijn weliswaar de mogelijkheid schept om de toepassing van de vrijstelling afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat deze niet leidt tot verstoring van de mededinging ten nadele van commerciële ondernemingen, maar dat deze niet toelaat te voorzien in de voorwaarde dat een niet-commerciële onderneming geen gebruik mag maken van werknemers. De bepaling betreft namelijk alle instellingen zonder winstoogmerk, ook de instellingen die wel personeel in dienst hebben. Door een extra voorwaarde te stellen beperkt Nederland de werkingssfeer van de vrijstelling op een wijze die strijdig is met de richtlijn, aldus het HvJ. 

De beslissing van het HvJ is naar onze mening geen verrassing. Al sinds het verzoek tot aanpassing van de wetgeving van de EC uit 2010 was duidelijk dat de uitbreiding en inperking op de sportvrijstelling niet geheel in lijn waren met de richtlijn. Nederland heeft ervoor gekozen de uitkomst van de inbreukprocedure af te wachten. Aangezien nu bevestigd is dat de vrijstelling niet in lijn is met het unierecht, zal het besluit over btw-heffing bij watersportorganisaties (besluit 5 november 2011, nr. CPP2001/2164) naar verwachting op korte termijn worden aangepast. Tot die tijd kunnen watersportorganisaties gebruikmaken van de vrijstelling voor niet met sportactiviteiten samenhangende verhuur van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen. Niet-commerciële watersportorganisaties die personeel in dienst hebben, kunnen reeds nu – met een beroep op het arrest van het HvJ – de vrijstelling toepassen op hun dienstverlening. Zie