10 november 2017Btw-vrijstelling sport per 1 januari 2019 aangepast

Op 3 november is de ‘Startnota’ van het Kabinet Rutte III gepubliceerd. De Startnota geeft de vertaling van de financiële afspraken uit het Regeerakkoord weer. In de Startnota is ook een passage opgenomen over de uitbreiding van de btw-vrijstelling voor sport, die is genoemd in art. 11 lid 1 onderdeel e Wet OB. (hierna: sportvrijstelling)

In de startnota wordt opgemerkt: ‘de sportvrijstelling moet door een uitspraak van het HvJ worden aangepast. Dit leidt tot een extra lastenrelevante opbrengst voor de schatkist van 241 miljoen euro in 2019. Voor gemeenten en sportvereniging leidt dit tot een financieel nadeel van dezelfde omvang. Om gemeenten en sportverenigingen hiervoor te compenseren wordt 241 miljoen euro overgeheveld van de inkomsten-naar de uitgavenkant van de rijksbegroting’.

Uit de passage in de Startnota nemen wij aan dat de sportvrijstelling per 1 januari 2019 wordt uitgebreid. 

 De uitbreiding ziet hoogst waarschijnlijk op een tweetal punten waarvan de Wet OB niet in overeenstemming is met de btw-richtlijn. In Nederland zijn op dit moment (kortweg) vrijgesteld de diensten door niet winst beogende organisaties die zich beoefening van sport of de bevordering daarvan ten doel stellen, aan hun leden, op grond van art. 11, lid 1 onderdeel e Wet OB. Zo is geen btw verschuldigd over de contributie die een lid betaalt aan een sportvereniging. Wanneer dezelfde sportvereniging niet-leden een training tegen vergoeding aanbiedt, dan is over die vergoeding wel btw verschuldigd. Art. 132, lid 1, onderdeel m btw-richtlijn  maakt geen onderscheid tussen prestaties aan leden en prestaties aan niet-leden.


Daarnaast valt de terbeschikkingstelling van sportaccommodaties/terreinen aan een sportvereniging door gemeenten in de huidige Nederlandse uitvoeringspraktijk meestal onder het verlaagde btw-tarief van 6%, omdat de sportvrijstelling in de Wet OB strikt genomen alleen van toepassing is op (sport)verenigingen. Volgens art. 132, lid 1, onderdeel m btw-richtlijn zou deze terbeschikkingstelling echter onder de sportvrijstelling moeten vallen, aangezien de rechtsvorm voor toepassing van de sportvrijstelling niet van belang mag zijn. Het gevolg van het moeten toepassen van een vrijstelling per 1 januari 2019 pakt vanwege het verlies van het recht op aftrek van voorbelasting veelal nadelig uit voor gemeenten en sportverenigingen.

Wat opvalt is dat in de Startnota geen passage is opgenomen over de inperking van de sportvrijstelling naar aanleiding van de uitspraak van het HvJ in het arrest The English Bridge Union. In dit arrest oordeelde het HvJ dat de sportvrijstelling niet van toepassing is op wedstrijdbridge, omdat bridge gekenmerkt wordt door een te verwaarlozen lichamelijke component. Dit zou dan ook gelden voor sporten zoals dammen, schaken en biljarten. De vraag is of al per 1 januari 2019 de sportvrijstelling wordt ingeperkt voor de bovengenoemde sporten.

Voor meer informatie over de sportvrijstelling zie 8.2.4.  

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op