20 februari 2017Btw-vrijstelling culturele diensten heeft geen rechtstreekse werking

In art. 132, lid 1, onderdeel n btw-richtlijn (voorheen: art. 13, A, lid 1, onderdeel n Zesde richtlijn) is een btw-vrijstelling opgenomen voor bepaalde culturele diensten en daarmee nauw samenhangende goederenleveringen door publiekrechtelijke culturele instellingen of door andere culturele instellingen die door de betreffende lidstaat zijn erkend. In het Verenigd Koninkrijk is deze btw-vrijstelling pas op 1 juni 1996 geïmplementeerd. In de prejudiciële zaak British Film Institute is de vraag aan de orde of culturele instellingen voor de periode tot 1 juni 1996 met een rechtstreeks beroep op art. 13, A, lid 1, onder n) van de Zesde richtlijn de btw-vrijstelling mogen toepassen. Voor het antwoord op die vraag is beslissend op art. 13, A, lid 1, onder n) van de Zesde richtlijn rechtstreekse werking heeft.

De feiten in deze zaak zijn als volgt. British Film Institute is een instelling zonder winstoogmerk die de film in het Verenigd Koninkrijk bevordert. Zij verleent het recht van toegang tot filmvertoningen en heeft in de periode 1990 t/m mei 1996 over deze diensten btw tegen het algemene tarief betaald. In maart 2009 verzoekt zij bij de Belastingdienst om een teruggaaf van de betaalde btw, omdat zij van mening is dat de betrokken toegangsrechten btw-vrijgestelde culturele diensten zijn. Het verzoek om btw-teruggaaf is afgewezen. In de daaropvolgende beroepsprocedure heeft de Britse rechter prejudiciële vragen gesteld over de rechtstreekse werking van deze culturele vrijstelling.

Het HvJ overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat particulieren zich bij de nationale rechter tegenover de staat kunnen beroepen op bepalingen van een richtlijn in het geval waarin de staat heeft verzuimd om de richtlijn(bepaling) binnen de juiste termijn in nationaal recht om te zetten of dit op onjuiste wijze heeft gedaan. Er kan alleen een beroep worden gedaan op bepalingen die rechtstreekse werking hebben, dat wil zeggen die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn. De vraag is of de bewoordingen ‘bepaalde culturele diensten’ van de btw-vrijstelling voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om aan die bepaling rechtstreekse werking te verlenen. Het HvJ geeft aan dat de vrijstelling niet precies vermeldt welke culturele diensten de lidstaten vrij moeten stellen van btw. Het bevat namelijk geen uitputtende lijst van de diensten die vrijgesteld moeten worden, noch verplicht zij de lidstaten om alle culturele diensten vrij te stellen. Het spreekt enkel van de vrijstelling voor ‘bepaalde’ van die diensten. De richtlijnbepaling geeft lidstaten de keuzevrijheid om zelf te bepalen welke culturele diensten voor de vrijstelling in aanmerking komen en hoe bepaalde begrippen moeten worden omschreven. Het Hof van Justitie oordeelt dat de btw-vrijstelling voor culturele diensten niet aan de voorwaarde voor rechtstreekse werking voldoet, omdat de richtlijnbepaling niet is geïmplementeerd en – vanwege het bestaan van een beoordelingsmarge voor de lidstaten – niet onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk is.

 Het lijkt erop dat het HvJ terughoudender is geworden met het toekennen van rechtstreekse werking aan bepalingen in de Zesde Richtlijn (nu: de btw-richtlijn). In het Canterbury Hockey Club-arrest oordeelde het HvJ ten aanzien van de btw-vrijstelling voor ‘sommige (een betere vertaling is: bepaalde) diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding’ dat deze bepaling rechtstreekse werking heeft. Gelet op de weinig concrete aanduiding ‘sommige’ of ‘bepaalde’ in deze richtlijnbepaling had een andersluidende beslissing naar onze mening meer voor de hand gelegen. In het Larentia+Minerva/Marenave-arrest oordeelde het HvJ echter dat art. 11 btw-richtlijn (voorheen: art. 4, lid 4 Zesde Richtlijn) geen rechtstreekse werking heeft en lidstaten zelf mogen bepalen hoe de verwevenheidsvereisten voor de fiscale eenheid worden ingevuld. Dit was voor ons een verrassend oordeel, omdat de verwevenheidsvereisten onvoorwaardelijk en nauwkeurig zijn geformuleerd. Dat het HvJ in dit arrest geen rechtstreekse werking toekent aan art. 13, A, lid 1, onderdeel n Zesde richtlijn (nu: art. 132, lid 1, onderdeel n btw-richtlijn) is gelet op het Larentia+Minerva/Marenave-arrest niet verrassend te noemen, maar is naar onze mening moeilijk te verenigen met de eerdere beslissing van het HvJ om aan de (net zo vaag geformuleerde) ‘sportvrijstelling’ wel rechtstreekse werking toe te kennen. Het is daarom wachten op de prejudiciële vraag of het HvJ nog steeds van oordeel is dat de ‘sportvrijstelling’ rechtstreekse werking heeft.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op