12 mei 2016Btw verschuldigd wegens directe doorlevering auto aan dga

Het recht op btw-aftrek komt toe aan de afnemer die het afgenomen goed of de afgenomen dienst voor aftrekgerechtigde activiteiten gebruikt. Soms is het echter lastig om te bepalen wie de afnemer is van een goed, hetgeen het geval is als privé- en zakelijke elementen door elkaar lopen. In een onlangs gepubliceerde uitspraak heeft Hof Den Bosch uitspraak gedaan over de vraag of een B.V. of haar dga de afnemer is van een aangeschafte Volvo.

In deze uitspraak gaat het om een holding die btw-ondernemer is voor het tegen vergoeding verrichten van managementdiensten aan een kantoor. Aan de holding is op 28 december 2010 een factuur uitgereikt ten bedrage van € 67.434 ter zake van de aankoop van een Volvo. In dit bedrag is € 7.851 aan btw begrepen. Het kenteken is op 4 januari 2011 op naam van de holding gezet en heeft tot 31 december 2012 op naam van de holding gestaan. De holding heeft de Volvo in die periode verzekerd. In de jaarstukken over 2010 en 2011 staat de Volvo niet op de balans van de holding en voor de inkomsten-, loon- en vennootschapsbelasting is de auto als privéauto van de dga aangemerkt. De holding heeft de in rekening gebrachte btw teruggevraagd in de btw-aangifte over het vierde kwartaal van 2010. In de btw-aangifte over het laatste kwartaal van 2011 geeft de holding een btw-correctie aan voor het privégebruik van de Volvo ten bedrage van € 894. In juli 2012 benadert de holding de inspecteur met de vraag of zij de Volvo aan de dga kan overdragen voor een bedrag dat gelijk is aan de rest-BPM zonder btw verschuldigd te zijn. De inspecteur neemt vervolgens het standpunt in dat de btw-aftrek ten onrechte is verleend en legt voor het tijdvak van 1 oktober 2010 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag op.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in deze zaak geoordeeld dat de holding de juridische eigenaar en afnemer is van de Volvo en recht heeft op aftrek van de aanschaf-btw, maar dat niet aannemelijk is geworden dat de holding de Volvo in het naheffingstijdvak heeft geleverd aan de dga.

In hoger beroep oordeelt Hof Den Bosch, in navolging van de rechtbank, dat de auto door de autodealer geleverd is aan de holding en de holding derhalve recht heeft op aftrek van voorbelasting. Het hof oordeelt dat de volle (juridische en economische) eigendom van de auto, na de levering door de autodealer aan de holding, (vrijwel) onmiddellijk is overgedragen aan de dga en dat deze daarbij van de holding de macht heeft gekregen om als eigenaar over de auto te beschikken. Hieraan doet volgens het hof niet af dat het kentekenbewijs op naam van de holding staat en de holding de auto heeft verzekerd, aangezien een auto civielrechtelijk geen registergoed is.

Het standpunt van de holding dat de inspecteur een viertal algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het beginsel van détournement de pouvoir, het zorgvuldigheids-, motiverings- en rechtszekerheidsbeginsel, heeft geschonden, faalt volgens het hof.

De inspecteur heeft naar het oordeel van het hof derhalve terecht een naheffingsaanslag opgelegd. De naheffing wordt wel verminderd, aangezien de inspecteur zich op het standpunt stelt dat het niet onredelijk is om geen btw te laten drukken op de bpm, aangezien de holding in wezen heeft gefungeerd als doorgeefluik en de situatie dus vergelijkbaar is met het rechtstreeks aankopen van een auto door de dga bij de dealer.

 De holding wilde te veel. Wat de holding beoogde was volledige btw-aftrek ter zake van de auto voor de holding en vervolgens een btw-vrije overdracht van de auto voor een bedrag dat gelijk is aan de rest-BPM, een doorlopende post. De denkfout die naar onze mening in deze constructie zit is dat geen rekening wordt gehouden met de onttrekking. Indien de rest-BPM voor de btw geen vergoeding is, maar een doorlopende post dan heeft de overdracht van de auto tegen het rest-BPM-bedrag voor de btw om niet plaatsgevonden, hetgeen betekent dat over de onttrekking van de auto over de restwaarde van de auto 21% btw verschuldigd is. Wij achten het dan ook af te raden om van deze constructie gebruik te maken. In deze zaak wordt aan die constructie niet meer toegekomen, omdat de auto naar het oordeel van het hof reeds door de holding aan de dga is overgedragen. Hoewel uit de uitspraak van het hof niet duidelijk blijkt op grond van welke bepaling sprake is van een doorlevering, nemen wij aan dat het hof van oordeel is de auto (vrijwel) direct na de aanschaf is onttrokken aan het ondernemingsvermogen van de holding voor privédoeleinden van de dga.

 

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op