24 december 2014Btw-verlegging verkoop motorschip door curator niet in strijd met rechtszekerheidsbeginsel

Om te voorkomen dat een schuldeiser zich (met voorrang op de fiscus) kan verhalen op de btw-opbrengst, geldt een verleggingsregeling bij de verkoop van een in zekerheid gegeven (on)roerend goed dan wel een recht op een onroerend goed ter executie van die zekerheid. In die gevallen moet de afnemer die btw-ondernemer is de btw voldoen.

X, die zich bezighoudt met de handel in binnenschepen, heeft in 2007 een motorpassagiersschip gekocht van (de curator van) A Holding B.V., die op dat moment in staat van faillissement verkeerde, voor een bedrag van € 500.000 inclusief btw. Het motorschip is geleverd op 23 januari 2008. X heeft het op de factuur vermelde btw-bedrag op aangifte in aftrek gebracht. Ten tijde van de verkoop was op het schip een hypotheek ten gunste van de bank en een recht van tweede hypotheek ten gunste van de Belastingdienst gevestigd. De bank heeft de curator van A Holding B.V. toestemming verleend om het schip (onderhands) aan X te verkopen. De inspecteur is van mening dat bovengenoemde verleggingsregeling van toepassing is, waardoor onterecht btw in rekening is gebracht en X derhalve geen recht had op aftrek.

De verleggingsregeling bij zekerheid en executie is op 20 december 2007 gepubliceerd en op 1 januari 2008 in werking getreden. De koopovereenkomst is gesloten op 18 december 2007. X meent dat (materieel) sprake is van terugwerkende kracht van de wijziging van art. 24ba Uitv.Besl. OB, zodat het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel zijn geschonden. Hof Amsterdam oordeelde echter dat dit niet het geval is, aangezien de regeling niet met terugwerkende kracht is ingevoerd en slechts van toepassing op leveringen die vanaf 1 januari 2008 plaatsvinden. De redelijkheid en billijkheid zijn evenmin geschonden, nu er voldoende gelegenheid is geweest om de op 18 december 2007 gesloten overeenkomst aan te passen vóór de levering van het motorschip op 23 januari 2008, aldus het hof. Het Hof verwerpt ook de overige grieven van X, die onder meer inhouden dat de verleggingsregeling in strijd is met het civiele en faillissementsrecht, dat hij vertrouwen mocht ontlenen aan een toezegging van de Belastingdienst die hij uit tweede hand heeft vernomen en dat de verleggingsregeling toepassing mist omdat niet daadwerkelijk sprake is van belastingfraude en/of -ontwijking. X heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld.

De Hoge Raad oordeelt dat geen sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat X op grond van art. 53 Wet OB bevoegd is om de betaalde btw terug te vorderen die de leverancier door de invoering van de btw-verleggingsregeling minder is verschuldigd. Dit brengt met zich dat door de inwerkingtreding van de verleggingsregeling noch X noch de leverancier in een rechtens te beschermen belang m.b.t. de btw-heffing is getroffen. Voor het overige kunnen de middelen naar het oordeel van de Hoge Raad niet tot cassatie leiden en behoeft dit op grond van art. 81 RO geen nadere motivering.

Hoewel de koper recht heeft op een teruggaaf van de te veel betaalde btw door de curator, is het zure voor de koper dat hij naar alle waarschijnlijk niet in staat zal zijn om dit recht te effectueren. De verkoper is immers failliet en de koper zal niet de enige schuldeiser zijn. Zie 6.2.3 voor meer informatie over de verleggingsregeling bij zekerheid en executie.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op