6 juli 2015Btw-teruggaaf lessor bij btw-belaste verkoop onroerend goed wegens wanbetaling?

Het HvJ EU heeft recent geoordeeld dat de maatstaf van heffing voor de btw niet verlaagd kan worden als de belastingplichtige, overeenkomstig de contractvoorwaarden, alle betalingen heeft geïnd die de tegenprestatie waren voor de verrichte handeling of als de ontvanger, zonder dat de overeenkomst is verbroken of geannuleerd, niet langer de overeengekomen prijs verschuldigd is.

 

e

 

 

 

 

 

De Sloveense btw-ondernemer NLB Leasing d.o.o. (hierna: NLB) heeft in 2008 kredietovereenkomsten gesloten met Domino ing, d.o.o. (hierna: Domino). De kredieten waren bestemd voor aankoop van onroerend goed door Domino met behulp van de kredieten van NLB. In april 2009 hebben de partijen opnieuw overeenkomsten gesloten, die een sale-and-lease-back-transactie vormden: NLB werd eigenaar van het onroerend goed en verhuurde dit vervolgens aan Domino. Na afloop van de overeenkomsten zou Domino de contractduur kunnen verlengen, het onroerend goed kunnen restitueren aan NLB of zijn koopopties kunnen uitoefenen, met betaling van alle verschuldigde termijnen aan NLB. Bij het sluiten van de leaseovereenkomsten heeft NLB btw voldaan over het aan Domino in rekening gebrachte bedrag: de som van alle maandelijkse termijnen, met inbegrip van de koopopties die NLB aan Domino had verleend. 

Omdat Domino na afloop van de leaseovereenkomsten nog niet alle termijnen betaald had, heeft NLB één van de onroerende goederen terug in bezit genomen en in juli 2010 als bouwgrond verkocht aan een derde, waarna zij btw-aangifte heeft gedaan. Vervolgens heeft NLB verzocht om herziening van alle aangegeven btw ter hoogte van de waarde van de koopopties, aangezien Domino zijn verplichtingen uit de leaseovereenkomsten niet nakwam. Partijen hebben een eindafrekening opgemaakt. NLB heeft de verkoopprijs van het goed verminderd met de btw die zij bij verkoop heeft betaald, de termijnen voor de koopopties die Domino nog niet had betaald en de maandelijkse termijnen die Domino nog verschuldigd was. Het restbedrag heeft NLB aan Domino overgemaakt. Verder heeft zij twee creditnota’s opgemaakt voor een bedrag gelijk aan de termijnen voor de koopopties, waardoor zij deze geannuleerd heeft. 

NLB heeft de fiscus verzocht om verlaging van het bedrag van de voldane btw bij de sluiting van de leaseovereenkomsten. Dit verzoek is geweigerd, omdat de twee creditnota’s volgens de Sloveense fiscus “geen regelmatige grondslag voor herziening van de maatstaf van heffing” waren. NLB heeft zich vervolgens onder andere op het beginsel van fiscale neutraliteit beroepen. De Sloveense rechter heeft het HvJ EU bij de behandeling van deze zaak prejudiciële vragen gesteld. 

De verwijzende rechter vraagt zich allereerst af of een lease-operatie zoals in het geding aan te merken is als een levering van goederen of verrichting van diensten in de zin van de btw-richtlijn. Het HvJ EU oordeelt dat de handeling die uit een dergelijke overeenkomst voortvloeit gelijk moet worden gesteld aan een verkrijging van een investeringsgoed. 

Vervolgens is de vraag aan de orde of het NLB is toegestaan haar maatstaf van heffing te verlagen. Naar het oordeel van het HvJ EU kan deze niet verlaagd worden als de belastingplichtige, overeenkomstig de contractvoorwaarden, alle betalingen heeft geïnd die de tegenprestatie waren voor de verrichte handeling of als de ontvanger, zonder dat de overeenkomst is verbroken of geannuleerd, niet langer de overeengekomen prijs verschuldigd is. 

Het is, tot slot, niet in strijd met het beginsel van fiscale neutraliteit als er afzonderlijk btw wordt geheven over een verrichting op het gebied van lease die betrekking heeft op onroerend goed en over de verkoop van dat onroerend goed aan een derde, voor zover die handelingen niet als één enkele handeling kunnen worden beschouwd met de leaseovereenkomst. De verwijzende rechter zal moeten beoordelen of in casu sprake is van één of meerdere handelingen.

Zie