17 februari 2012Btw-correctie van 12% x ib-bijtelling tot 1 juli 2011 geen aftrekcorrectie

Tot 1 juli 2011 dienden eenmansondernemers en maten/firmanten -kort gezegd- alle btw op de autokosten in aftrek te brengen en in het laatste tijdvak van het boekjaar een btw-correctie van 12% x Ib-bijtelling te voldoen (art. 15 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968). Deze btw-correctie was volgens de wetgever en de Hoge Raad een (forfaitaire) aftrekcorrectie. Deze btw-correctie diende om die reden voldoende bepaald te zijn, terwijl de reikwijdte van de aftrekuitsluiting sinds de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn (in Nederland op 1 januari 1979) niet uitgebreid mag zijn, de standstillbepaling.

In Nederland is het percentage van 12 verhoogd en vervolgens weer verlaagd tot 12. Daarnaast is de hoogte van de bijtelling in de inkomstenbelasting (hierna: ib) sinds de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn verhoogd (van 20% naar 25%). Deze wijzigingen na 1 januari 1979 hebben de Hoge Raad doen besluiten om op 29 oktober 2010 aan het Hof van Justitie van de EU (hierna: HvJ EU) de vraag voor te leggen of een dergelijke verruiming van de aftrekuitsluiting mogelijk is. En zo nee, wat de consequenties hiervan zijn. Het belang van het antwoord op deze vragen was niet beperkt tot de btw-correctie voor het privégebruik van de auto door eenmansondernemers en maten/firmanten. Ook werkgevers mochten tot 1 juli 2011 deze forfaitaire correctie toepassen voor het privégebruik van de auto door het personeel.

Op 16 februari 2012 heeft het HvJ EU in het Van Laarhoven-arrest (zie 10.3.2) -in navolging van de conclusie van A-G Kokott- geoordeeld dat de veronderstelling van de Hoge Raad dat sprake is van een (forfaitaire) aftrekuitsluiting niet juist is. Het HvJ EU is van oordeel dat sprake is van een systeem van volledige aftrek gevolgd door een heffing van btw over het privégebruik van de auto. Hierdoor is toetsing aan de standstillbepaling niet aan de orde. Het HvJ EU laat het echter niet bij deze vaststelling en oordeelt dat onderzocht moet worden of een heffing over het privégebruik van de auto gebaseerd mag zijn op een forfait. Het HvJ EU oordeelt dat dit in beginsel is toegestaan. De Hoge Raad dient na te gaan of het forfait evenredig is aan de omvang van het (werkelijke) privégebruik. Het is onze verwachting dat de Hoge Raad de zaak voor feitenonderzoek inzake de evenredigheid van het forfait en de omvang van het privégebruik zal verwijzen naar een gerechtshof.

Met dit Van Laarhoven-arrest in de hand is één argument tegen de voldoening van de heffing over het privégebruik van de auto sinds 1 juli 2011 in ieder geval van tafel, namelijk het argument dat een auto die voor 1 juli 2011 is aangeschaft niet onderworpen mag worden aan twee verschillende btw-correctiemechanismen voor het privégebruik (aftrekcorrectie en heffing over privégebruik). Naar onze mening is het Van Laarhoven-arrest tot 1 juli 2011 ook van toepassing op het privégebruik van de auto  door het personeel indien voor de btw op de autokosten volledige aftrek is genoten en in de laatste aangifte van het boekjaar een correctie voor het het privégebruik van de auto door het personeel is aangegeven (op grond van het BUA dan wel analoge toepassing art. 15 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968). De heffing over het privégebruik is op grond van art. 4, lid 2 Wet op de omzetbelasting 1968 slechts aan de orde indien het privégebruik om niet/tegen een symbolische vergoeding plaatsvindt. Voor werkgevers betekent dit arrest daarom naar onze mening dat een heffing over het privégebruik van de auto (12 % x ib-bijtelling) tot 1 juli 2011 niet mogelijk is indien een niet-symbolische vergoeding, een eigen bijdrage, van het personeel is bedongen. In art. 8 van de Wet op de omzetbelasting was immers tot 1 juli 2011 geen mogelijkheid opgenomen om een te lage eigen bijdrage voor de btw-heffing te corrigeren. Tot 1 juli 2011 kon een werkgever naar onze mening derhalve volstaan met het voldoen van 19% btw uit de eigen bijdrage (in plaats van 12% x ib-bijtelling). Dit is voordelig indien de btw uit de eigen bijdrage (fors) minder is dan 12% x ib-bijtelling. Uiteraard is het nog voordeliger indien uit de lopende procedure tegen de uitspraak van Rechtbank Haarlem duidelijk wordt dat op grond van het gelijkheidsbeginsel 12% x de meest gunstige ib-bijtelling (sinds 2010: 0% x cataloguswaarde) verschuldigd is. Tevens doet zich in deze situatie de vraag voor of de werkgever de btw betaald heeft in het juiste tijdvak. De btw uit de eigen bijdrage moet door werkgevers immers op aangifte voldaan worden op het moment waarop de eigen bijdrage ontvangen wordt. Omdat de bezwaren tegen de btw-correctie voor het privégebruik van de auto in 2011 op grond van de ‘collectieve’ regeling nog niet gemotiveerd zijn, kunnen deze punten t.z.t. -voor zover relevant- alsnog worden ingebracht. De zaak Van Laarhoven krijgt daarom nog wel een staartje.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op