4 augustus 2017Btw-belaste levering motorjacht binnen herzieningstermijn leidt niet teruggaaf btw

De btw-aftrek van investeringsgoederen wordt gedurende 5 of 10 jaar herzien. Geldt deze herzieningsregeling ook voor de aanschaf-btw die op grond van het BUA van aftrek is uitgesloten? Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant niet.

In deze zaak gaat het om een fiscale eenheid voor de btw die een motorjacht met bemanning verhuurt. In 2013 is aan de fiscale eenheid een motorjacht geleverd (hierna: het oude jacht) ter zake waarvan € 251.306 btw in rekening is gebracht. Omdat het oude jacht zowel voor zakelijke als privédoeleinden was bestemd, is met de Belastingdienst overeengekomen dat 25% van de aanschaf-btw op grond van het BUA niet aftrekbaar is. Op 7 november 2014 heeft de fiscale eenheid een nieuw jacht (hierna: het nieuwe jacht) besteld. In januari 2015 heeft de fiscale eenheid het oude jacht verkocht en geleverd als aanbetaling op het nieuwe jacht. De aanschaf-btw ter zake van (de aanbetaling van) het nieuwe jacht heeft de fiscale eenheid volledig in aftrek gebracht. Naar aanleiding van een boekenonderzoek is aan de fiscale eenheid een naheffingsaanslag opgelegd van € 14.014. Deze correctie bestond uit een aftrekcorrectie van 25% in verband met het privégebruik van € 51.712 en een correctie (ten voordele van de fiscale eenheid) van € 37.968 (3/5 van € 62.826) in verband met verkoop van het oude jacht binnen de herzieningstermijn.

De fiscale eenheid heeft tegen deze naheffingsaanslag bezwaar gemaakt, omdat de Nederlandse herzieningstermijn niet strookt met die in de btw-richtlijn. Volgens de fiscale eenheid moet de herzieningstermijn vijf volle jaren bedragen na het moment van ingebruikneming waardoor – uitgaande van een ingebruikneming van het oude jacht op 16 april 2013 – de herzieningscorrectie € 2.637 hoger uitvalt (niet 60%, maar 64,2% van € 62.826). De naheffingsaanslag moet volgens de fiscale eenheid met dit bedrag verminderd worden. Na afwijzing van het bezwaar heeft de fiscale eenheid beroep ingesteld bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

De inspecteur neemt voor het eerst in beroep het standpunt in dat de btw-herzieningsregeling niet van toepassing is op aanschaf-btw die op grond van het BUA van aftrek is uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat dit nieuwe standpunt niet te laat is ingenomen, omdat de inspecteur dit standpunt in het verweerschrift heeft opgenomen en de fiscale eenheid hierop heeft kunnen reageren. De omstandigheid dat de inspecteur eerder is uitgegaan van het standpunt dat de herzieningsregeling van toepassing is brengt mee dat de inspecteur niet kan terugkomen op de toegepaste herzieningscorrectie van € 37.968. De inspecteur mag dit nieuwe standpunt echter wel innemen ter onderbouwing van zijn standpunt dat de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat bij de aankoop van het oude jacht het BUA terecht is toegepast. Uit de tekst van de Wet OB en de Uitv.Besch. OB is volgens de rechtbank niet eenduidig af te leiden of de herzieningsregeling van toepassing is op btw die op grond van het BUA van aftrek is uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de tekst van art. 15, lid 6 Wet OB (tekst 2006) erop duidt dat de herzieningsregeling niet van toepassing is op BUA-prestaties. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat met de tekstuele wijzing in 2007 op dit punt een wijziging is beoogd. Dit betekent dat ook onder de huidige regeling de herzieningsregeling niet van toepassing is op BUA-prestaties. Voor zover de fiscale eenheid betoogt dat het niet-toestaan van de herziening in strijd is met de btw-richtlijn oordeelt de rechtbank dat het BUA niet in strijd is met art. 176 btw-richtlijn. Het beroep van de fiscale eenheid is daarom ongegrond.

 Een roerend investeringsgoed dat zowel voor zakelijke als privédoeleinden wordt gebruikt mag volledig tot het btw-ondernemingsvermogen worden gerekend. Dit heeft tot gevolg dat de aanschaf-btw volledig aftrekbaar is en dat de ondernemer ieder kalenderjaar een heffing over het privégebruik verschuldigd is. Hierbij geldt dat over de aan het privégebruik toerekenbare uitgaven voor de aanschaf van het investeringsgoed alleen in de eerste vijf jaren btw verschuldigd is. In deze procedure staat vast dat het privégebruik van het oude motorjacht valt onder het BUA. Op grond van art. 16a Wet OB gaat het BUA voor op de heffing over het privégebruik. Dit betekent dat geen recht op aftrek van de aanschaf-btw bestaat voor zover het oude motorjacht voor ‘BUA-prestaties’ wordt gebruikt. Zoals de rechtbank terecht oordeelt, is uit de tekst van de Wet OB en de Uitv.Besch. OB niet duidelijk af te leiden of de herzieningsregeling ook betrekking heeft op de btw die op grond van het BUA van aftrek uitgesloten is. Ook de tekst van art. 184 e.v. Btw-richtlijn laat op dit punt aan duidelijkheid te wensen over. Niettemin vragen wij ons af of de conclusie van de rechtbank juist is. De rechtbank hangt zijn oordeel namelijk op aan de toerekenings- en splitsingsregels van art. 11 Uitv.Besch. OB. Deze regels zijn gebaseerd op art. 15 Wet OB. Aan een aftrekuitsluiting op grond van het BUA wordt echter pas toegekomen indien op grond van art. 15 Wet OB jo. art. 11 Uitv.Besch. OB sprake is van gebruik voor aftrekgerechtigde activiteiten. Om die reden ligt het niet voor de hand om in art. 15 Wet OB jo. art. 11 Uitv.Besch. OB het antwoord te vinden op de vraag of de herzieningsregeling ook betrekking heeft op btw die op grond van art. 16 Wet OB jo. het BUA van aftrek is uitgesloten. Naar onze mening zijn er goede argumenten om de herzieningsregeling wel toe te passen op ‘BUA-btw’. De herzieningsregeling voor investeringsgoederen beoogt de mate van btw-aftrek beter te laten aansluiten op het gebruik van investeringsgoederen voor aftrekgerechtigde activiteiten. Het niet toepassen van de herzieningsregeling op btw waarvan de aftrek is uitgesloten zou betekenen dat een toe- of afname van het gebruik waarvoor de aftrek is uitgesloten na het moment van aanschaf niet leidt tot een correctie van de btw-aftrek. In een geval als het onderhavige leidt het niet toepassen van de herzieningsregeling bovendien tot cumulatie van btw, omdat bij de verkoop van het oude jacht over de volledige verkoopprijs btw wordt berekend. Een dergelijke cumulatie staat haaks op het beginsel van de fiscale neutraliteit. Omdat redelijkerwijs twijfel mogelijk is over de richtlijnconformiteit van het oordeel van de rechtbank verdient het naar onze mening aanbeveling dat in een eventueel hoger beroep of beroep in cassatie om uitleg wordt gevraagd aan het HvJ. Bij het stellen van een dergelijke vraag zou tevens een vraag gesteld kunnen worden over het eigenlijke geschilpunt: de herzieningstermijn voor investeringsgoederen. De rechtbank is hieraan niet toegekomen. Naar onze mening heeft Nederland op grond van art. 187, lid 1 btw-richtlijn niet de vrijheid om een herzieningstermijn te hanteren die korter is dan vijf of 10 volle jaren vanaf het moment van ingebruikneming. Voor meer informatie over het BUA zie 10.3.4 en voor meer informatie over de herzieningsregels zie 10.5.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op