18 juli 2018Btw-aftrek verwervingskosten deelneming bij btw-belaste verhuur bedrijfsgebouw aan die deelneming

Feiten

Marle Participations is een holding van het concern Marle, dat actief is op het gebied van de productie van orthopedische implantaten. Haar doel is met name het beheer van deelnemingen in verschillende dochterondernemingen van het concern, waaraan zij bovendien een gebouw heeft verhuurd. Uit het aan het HvJ overgelegde dossier blijkt dat Marle Participations vanaf 2009 een herstructurering heeft uitgevoerd, in het kader waarvan zij effecten heeft verkocht en aangekocht. Marle Participations heeft de btw ter zake van de diverse kosten waarmee deze herstructurering gemoeid ging, volledig in aftrek gebracht. De Franse Belastingdienst was van mening dat Marle Participations de btw ten onrechte in aftrek heeft gebracht. De Franse verwijzende rechter heeft vervolgens het HvJ een prejudiciële vraag gesteld aan het HvJ: ‘vormt de verhuur van een gebouw door een holding aan een dochteronderneming een directe of indirecte inmenging in het beheer van deze dochteronderneming, die tot het gevolg heeft dat het verwerven en het houden van aandelen in deze dochteronderneming economische activiteiten worden in de zin van de btw-richtlijn, en, in voorkomend geval, onder welke voorwaarden?’

HvJ

Het HvJ stelt dat volgens vaste rechtspraak van haar inmenging van een holding in het beheer van vennootschappen waarin zij deelnemingen heeft verworven een economische activiteit is in de zin van art. 9, lid 1 btw-richtlijn voor zover zij gepaard gaat met handelingen die op grond van art. 2 btw-richtlijn aan btw zijn onderworpen, zoals het verrichten van administratieve, boekhoudkundige, financiële, commerciële, IT- en technische diensten door de holding ten behoeve van haar dochterondernemingen (14 november 2000 Floridienne Berginvest C-142/99 en 27 september 2011 Cibo Participations C-16/00).In dit verband moet worden benadrukt dat de in de rechtspraak van het HvJ genoemde voorbeelden van activiteiten die inmenging van de holding in het beheer van haar dochterondernemingen opleveren, geen limitatieve opsomming vormen. Het begrip ‘inmenging van een holding in het beheer van haar dochteronderneming’ moet derhalve in die zin worden opgevat dat het alle door de holding ten behoeve van haar dochteronderneming verrichte handelingen bestrijkt die een economische activiteit in de zin van de btw-richtlijn opleveren.

Het HvJ stelt dat de verhuur van een gebouw door een holding aan haar dochteronderneming een inmenging in het beheer van deze onderneming vormt, die moet worden beschouwd als een economische activiteit op grond waarvan recht op aftrek van de btw ontstaat over de door de holding gemaakte kosten ter verwerving van deelnemingen in deze dochteronderneming, mits deze dienstverlening duurzaam van aard is, zij wordt verricht onder bezwarende titel en zij wordt belast, wat betekent dat deze verhuur niet is vrijgesteld, en er een direct verband bestaat tussen de door de dienstverrichter verleende dienst en de van de begunstigde ontvangen tegenprestatie. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of in het bij hem aanhangige geding aan die voorwaarden is voldaan.

De kosten in verband met de verwerving van deelnemingen in dochterondernemingen, gemaakt door een holding die aan het beheer van die dochterondernemingen deelneemt door aan hen een gebouw te verhuren, en die uit dien hoofde een economische activiteit uitoefent, moeten worden geacht deel uit te maken van de algemene kosten van die holding, en de over die kosten voldane btw moet in beginsel volledig in aftrek kunnen worden gebracht volgens het HvJ.

Ingeval een holding kosten heeft gemaakt voor de verwerving van deelnemingen in dochterondernemingen en zij slechts aan het beheer van bepaalde van deze dochterondernemingen deelneemt en met betrekking tot de andere dochterondernemingen geen economische verricht, kunnen deze kosten daarentegen slechts voor een deel worden geacht deel uit te maken van de algemene kosten van deze holding, zodat enkel de btw die is voldaan over kosten die inherent is aan de economische activiteit, in aftrek kan worden gebracht. Welk gedeelte van de totale kosten inherent is aan de economische activiteit, wordt bepaald aan de hand van verdeelcriteria die worden vastgelegd door de lidstaten, die bij de uitoefening van die bevoegdheid rekening moeten houden met het doel en de opzet van de btw-richtlijn en derhalve in een berekeningsmethode moeten voorzien die objectief weergeeft welk deel van de in een eerder stadium gemaakte kosten werkelijk toe te rekenen is aan de economische activiteit en welk deel aan de niet-economische activiteit (pre pro rata). Het staat aan de nationale rechter om dit te verifiëren.

De btw op de kosten van de verwerving van een deelneming kan niet worden afgetrokken als de verkoper geen ondernemer is. De btw komt wel voor aftrek in aanmerking als de verkoper ondernemer is, omdat hij zich mengt in het beheer van de deelneming(en) en dit beheer gepaard gaat met belaste handelingen ten behoeve van de deelnemingen. Uit jurisprudentie van het HvJ blijkt dat een ‘inmenging in het beheer van de dochterondernemingen, die gepaard gaat met handelingen die aan de btw zijn onderworpen (…), zoals het verrichten van administratieve, boekhoudkundige, financiële, commerciële, IT-en technische diensten ten behoeve van hun dochterondernemingen, als een economische activiteit moet worden beschouwd (HvJ 14 november 2000, nr. C-142/99).

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 augustus 1998, BNB 1999/51 geoordeeld dat inmenging in het beheer van deelnemingen (moeien) onder meer het actief begeleiden van de dochteronderneming is door de holding, mogelijk gemaakt door de sturende en beleidsbepalende functie van de holding binnen het concern. In het CIBO arrest is het HvJ niet ingegaan op het begrip ‘inmenging’ en het HvJ verwees enkel naar haar arrest van 14 november 2000, nr. C-142/99. In de praktijk ontstonden vragen of elke dienstverlening (of zelfs goederenlevering) aan de dochteronderneming ertoe leidt dat de holding kwalificeert als btw-ondernemer. Deze zaak heeft hier meer duidelijkheid over geschapen. Het begrip ‘inmenging’ moet ruim worden uitgelegd en omvat alle door de holding ten behoeve van haar dochteronderneming verrichte handelingen die kwalificeren als een economische activiteit. Uit dit arrest blijkt dat dus sneller sprake is van inmenging als geoordeeld in HR BNB 1999/51. De holding hoeft zich dus niet te moeien met het beleid, verhuur aan de dochteronderneming is voldoende. Het arrest van de HR BNB 1999/51 is dus achterhaald.

Er bestaat echter geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de verwervingskosten en later uitgaande (belaste)prestaties van de holding. Daarom maken de verwevingskosten deel uit van de algemene kosten en hangen zij dus samen met het geheel van de bedrijfsactiviteiten. In beginsel is de btw volledig aftrekbaar. Als de bedrijfsactiviteiten zowel zijn belast als vrijgesteld, moet de voorbelasting worden gesplitst op basis van de omzetverhouding.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op