17 maart 2015Btw-aftrek onderneming voor kosten stichting pensioenfonds

De casus in de zaak Fiscale eenheid PPG Holdings c.s. te Hoogezand (hierna: PPG) is als volgt. PPG heeft ten behoeve van haar werknemers een pensioenregeling gesloten en die ondergebracht in de Stichting Pensioenfonds PPG Industries Nederland (hierna: het pensioenfonds). Het pensioenfonds is volgens de Nederlandse wetgeving juridisch en fiscaal gescheiden van PPG. PPG was niet wettelijk verplicht om een pensioenfonds op te richten en had er ook voor kunnen kiezen om de pensioenverplichtingen uit te besteden aan een verzekeringsmaatschappij, waaraan zij premies zouden betalen en die verantwoordelijk zou zijn voor het uitkeren van de pensioenen aan gepensioneerde personeelsleden. PPG heeft echter gekozen voor de oprichting van een pensioenfonds. PPG betaalt de volledige premie; de werknemers van PPG betalen derhalve geen premie.

PPG heeft met dienstverleners contracten gesloten voor de administratie en het beheer van het pensioenfonds. De kosten van deze diensten zijn door PPG betaald en niet doorberekend aan het pensioenfonds. De btw op deze kosten heeft PPG in de jaren 2001 en 2002 volledig in aftrek gebracht. Naar de mening van de inspecteur ten onrechte. De inspecteur heeft deze btw daarom nageheven. Rechtbank Leeuwarden heeft de inspecteur in het gelijk gesteld. Naar haar oordeel zijn de diensten afgenomen door het pensioenfonds waardoor PPG een recht op btw-aftrek ontbeert, terwijl de afgenomen diensten ook niet kwalificeren als het van btw-heffing vrijgestelde beheer van een gemeenschappelijk beleggingsfonds. In hoger beroep heeft Hof Leeuwarden -na beantwoording van de door het hof gestelde prejudiciële vragen- beslist dat sprake is van algemene kosten waardoor PPG recht heeft op volledige btw-aftrek. De na het stellen van prejudiciële vragen ingebrachte subsidiaire (aftrek is op grond van BUA uitgesloten) en meer subsidiare stelling (PPG is btw verschuldigd over diensten aan pensioenfonds) heeft het hof niet behandeld, omdat dit in strijd is met de goede procesorde. De staatssecretaris heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld.

A-G Van Hilten is van mening dat het oordeel van het hof inzake de btw-aftrek niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk is en ook niet onvoldoende is gemotiveerd. Ten aanzien van het tardief verklaren van de na de prejudiciële vragen ingebrachte stellingen van de inspecteur is de A-G van mening dat alleen het meer subsidiaire standpunt de rechtsstrijd uitbreidt. Dit betekent dat het hof de subsidiaire stelling van de inspecteur wel had moeten behandelen. Niettemin is de A-G van mening dat dit niet tot een andere uitkomst had geleid, omdat het BUA toepassing mist. Naar de mening van de A-G ontbreekt de voor relatiegeschenken of andere giften vereiste zakelijke relatie of vrijgevigheid, terwijl ook geen sprake is van personeelsverstrekkingen die privédoeleinden van het personeel dienen. De A-G adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond te verklaren.

Voor meer informatie over aftrekuitsluitingen op grond van het BUA zie 10.3.4.

 

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op