14 juni 2018Btw-aftrek bij vooruitbetaling indien afnemer niet wist of kon weten dat leverancier niet gaat leveren

Het HvJ oordeelt dat Kollroβ en Wirtl recht hebben op aftrek van de voorbelasting op de vooruitbetalingsfactuur.

Feiten

Kollroβ heeft op 10 april 2010 een blokverwarmingscentrale bestelt bij een onderneming. De onderneming heeft de order op 12 april 2010 bevestigd en een vooruitbetalingsfactuur gestuurd van €30.000, exclusief btw ten bedrage van € 5.700. Kollroβ heeft vervolgens de vooruitbetalingsfactuur van €30.000 betaalt en de in rekening gebrachte btw in aftrek gebracht. De datum waarop de blokverwarmingscentrale geleverd zou worden, stond toen nog niet vast. De blokverwarmingscentrale is echter niet geleverd. De Duitse Belastingdienst was van mening dat Kollroβ geen recht heeft op aftrek van de voorbelasting. Wirtl overkomt hetzelfde. De Duitse rechter heeft prejudiciële vragen gesteld in deze zaken. De A-G adviseert het HvJ te oordelen dat Kollroβ en Wirtl recht hebben op aftrek van de voorbelasting op de vooruitbetalingsfactuur.

HvJ

Het HvJ oordeelt dat op grond van art. 65 btw-richtlijn btw verschuldigd wordt op het tijdstip van ontvangst van de voortuitbetalingen, ten belope van het te ontvangen bedrag. Het HvJ verwijst naar haar uitspraak in de zaak BUPA Hospitals waarin het HvJ heeft beslist dat een vooruitbetaling alleen tot verschuldigdheid van btw leidt als alle relevante elementen van het toekomstige belastbare feit reeds bekend zijn. Ook verwijst het HvJ naar de zaak FIRIN waarin zij heeft geoordeeld dat art. 65 btw-richtlijn geen toepassing kan vinden wanneer blijkt dat onzeker is of het belastbare feit zich zal voordoen.

Het HvJ oordeelt, onder verwijzing naar de zaken Bonik en FIRIN van het HvJ, dat het feit dat de leveranciers nooit de bedoeling hadden om de door de afnemers aangekochte goederen te leveren, op zich niet kan rechtvaardigen dat de nationale autoriteiten de verzoeken van die afnemers tot aftrek weigeren toe te kennen. Deze autoriteiten mogen slechts dan de aftrek weigeren, indien zij rechtens genoegzaam kunnen bewijzen dat de afnemers wisten, dan wel behoorden te weten, dat de leverancier vanaf het begin af aan niet de bedoeling had om zijn overeenkomsten na te leven. Een dergelijke weigering zoals in deze zaak gaat verder dan noodzakelijk voor de bescherming van de schatkist en legt voorts een buitensporige last op kopers. Het is volgens het HvJ buitensporig om alle risico’s die verband houden met de mogelijkheid dat de aangekochte goederen of diensten niet worden geleverd bij de afnemers neer te leggen die, zelfs indien alle benodigde zorgvuldigheid wordt betracht, onmogelijk op de hoogte konden zijn van de slechte bedoelingen van de leverancier.
De situatie in dit arrest moet volgens het HvJ worden onderscheiden van de feiten in het arrest BUPA Hospitals. In dat arrest was het op het tijdstip dat de betaling werd gedaan onzeker of de handeling wel zou worden verricht. In deze zaken daarentegen, diende, althans vanuit het perspectief van de afnemers, enkel het tijdstip van de levering nog te worden vastgesteld. Het enkele ontbreken van een leveringsdatum heeft volgens het HvJ niet tot gevolg dat het ontstaan van het belastbare feit onzeker is.

Verder oordeelt het HvJ dat de artikelen 184 tot en met 186 btw-richtlijn zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die, in omstandigheden als aan de orde in deze zaken, een herziening van de aftrek vereist en deze afhankelijk stelt van de terugbetaling van de vooruitbetaling. Volgens de het HvJ past deze voorwaarde binnen de beoordelingsvrijheid die door art. 185, lid 2 en art. 186 btw-richtlijn aan lidstaten wordt gegeven. Bovendien is de voorwaarde volgens de het HvJ redelijk, omdat zo een situatie wordt voorkomen waarin een belastingplichtige zich ongerechtvaardigd zou kunnen verrijken als gevolg van het feit dat hij een recht op aftrek behoudt en tegelijkertijd een terugbetaling van het eerder betaalde bedrag ontvangt.

Wij zijn het met het oordeel van het HvJ eens dat de situatie in onderhavige zaken verschilt met het BUPA Hospitals-arrest. In dat arrest was op het tijdstip dat de betaling werd gedaan onzeker of de handeling wel zou worden verricht. In onderhavige zaken was (vanuit de optiek van de afnemers) wel zeker dat de handeling werd verricht, maar moest enkel het tijdstip van de levering nog worden vastgesteld.

Het HvJ had ook nog kunnen aansluiten bij haar lijn in het Schloßstraße-arrest, inhoudende dat de btw-aftrek in stand blijft indien gebruik voor belaste prestaties wegens omstandigheden buiten de wil van belastingplichtige niet heeft plaatsgevonden. Het lijkt ons evident dat hiervan in casu sprake is. In dat geval blijft de btw-aftrek in stand, maar is het wel mogelijk dat de btw-aftrek herzien moeten worden. Wij zijn het eens het oordeel van het HvJ dat art. 185 lid 2 en art. 186 btw-richtlijn zich niet verzetten tegen een herziening van de btw-aftrek bij terugbetaling van de voortuitbetaling, zoals in Duitsland kennelijk het geval is. De vraag is of de btw-aftrek ter zake van een vooruitbetaling bij een bonafide koper op grond van de Nederlandse herzieningsregels (wel) gecorrigeerd moet worden. Naar onze mening is dit niet het geval. Indien, zoals het HvJ oordeelt dat onderhavige oplichting (ook) als diefstal van goederen in de zin van art. 185, lid 2 btw-richtlijn is aan te merken, dan volgt uit deze bepaling dat in beginsel geen herziening van de btw-aftrek mogelijk is. Hierop bestaat slechts een uitzondering indien een lidstaat gebruikgemaakt heeft van de mogelijkheid wel herziening te eisen. Nederland heeft dat blijkens art. 15, lid 7 Wet OB niet gedaan.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op