23 oktober 2015Btw-aftrek aanlegkosten gratis toegankelijk ontdekkingspad

Het HvJ EU is van oordeel dat recht op aftrek bestaat voor de btw op de aanlegkosten van een gratis toegankelijk ontdekkingspad, aangezien dit pad voor de Litouwse btw-ondernemer een middel is om bezoekers te trekken naar een plaats waar hij voornemens is economische activiteiten uit te oefenen.  

In de prejudiciële zaak “UAB Sveda” (hierna: Sveda) gaat het om de gelijknamige Litouwse onderneming die een Baltisch mythologisch recreatief ontdekkingspad heeft laten aanleggen. Hiervoor zijn wegen, trappen, uitkijkposten, een plaats voor kampvuren, een informatiestand en parkeerruimte aangelegd. De werkzaamheden voor de aanleg van dit ontdekkingspad zijn uitgevoerd in het kader van een overeenkomst met het nationaal subsidiefonds van het Litouwse ministerie van Landbouw (hierna: het subsidiefonds). Daarin was bepaald dat Sveda het ontdekkingspad gratis moest openstellen voor publiek. Volgens de overeenkomst zou het subsidiefonds maximaal 90% van de door Sveda gemaakte kosten voor de aanleg van het pad vergoeden. Sveda is voornemens aan de bezoekers prestaties tegen betaling aan te bieden, zoals de verkoop van levensmiddelen of souvenirs en het aanbieden van het gebruik attracties en zwemgelegenheden. Sveda heeft alle btw op de aanlegkosten van het ontdekkingspad in aftrek gebracht. De Litouwse fiscus heeft deze aftrek geweigerd, omdat gratis toegang werd verleend. 
De hoogste Litouwse rechter heeft aan het HvJ de prejudiciële vraag gelegd of een belastingplichtige recht heeft op aftrek van de btw die hij heeft voldaan bij de vervaardiging of verwerving van investeringsgoederen die bestemd zijn voor gebruik voor bedrijfsdoeleinden en die rechtstreeks zijn bedoeld voor gratis gebruik door het publiek, maar kunnen worden beschouwd als een middel om bezoekers aan te trekken naar een plaats waar de belastingplichtige voornemens is om economische activiteiten te verrichten.

Het HvJ heeft in deze zaak, met inachtneming van de conclusie van A-G Kokott, geoordeeld dat Sveda bij de vervaardiging en verwerving van investeringsgoederen heeft gehandeld als belastingplichtige en de investeringsgoederen daarmee voor het bedrijfsvermogen heeft bestemd. Het feit dat Sveda het ontdekkingspad op grond van de subsidieovereenkomst voor een periode van vijf jaren niet tegen betaling ter beschikking kan stellen aan het publiek, doet hieraan niet af. De gratis openstelling van het ontdekkingspad belet Sveda immers niet om gelijktijdig andere economische activiteiten uit te oefenen, namelijk de verkoop van souvenirs en levensmiddelen en het aanbieden van het gebruik van attracties en zwemgelegenheden tegen betaling.
Met betrekking tot het recht op aftrek van de voorbelasting op de aanleg van het ontdekkingspad oordeelt het HvJ dat moet worden nagegaan of de aanlegkosten zijn opgenomen in de prijs voor de prestaties aan de bezoekers. Aangezien de aanleg van het ontdekkingspad ten doel heeft bezoekers aan te trekken met het oog op het verrichten van btw-belaste prestaties, bestaat er kennelijk een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de door Sveda gedane uitgaven en haar gehele economische activiteit. De verwijzende rechter zal dit aan de hand van objectieve gegevens moeten verifiëren.

Zie