30 augustus 2017Bouw onroerend goed kwalificeert als vervaardiging

Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat onder het begrip ‘vervaardigen’ mede het (laten) bouwen van een onroerende zaak wordt begrepen.

Een ondernemer heeft in 2011 een terrein met opstallen gekocht dat belast is met overdrachtsbelasting. De ondernemer heeft de opstallen van het terrein gesloopt en vervolgens op het terrein een supermarkt met daarboven 18 appartementen (hierna: het project) laten bouwen. De appartementsrechten van de supermarkt met aanbehoren zijn met btw verkocht. De appartementen zijn bestemd voor btw-vrijgestelde verhuur. De ondernemer heeft de voorbelasting op de bouw volledig in aftrek gebracht. Het project is in het vierde kwartaal van 2013 opgeleverd en in gebruik genomen. In de aangifte over het vierde kwartaal 2013 heeft de ondernemer btw ten aanzien van de integratieheffing aangegeven en voldaan. Tegen de voldoening heeft de ondernemer bezwaar gemaakt. Het bezwaar wordt ongegrond verklaard.

In eerste aanleg heeft Rechtbank Zeeland-West-Brabant geoordeeld dat onder het nationale begrip ‘vervaardigen’ ook het (laten) bouwen van een onroerende zaak wordt begrepen. Bovendien is het duidelijk dat integratieheffing inzake bouwen van een onroerende zaak op grond van de btw-richtlijnbepaling geoorloofd is, aangezien de term ‘gebouwd’ wordt genoemd in de btw-richtlijn. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. In hoger beroep is in geschil of sprake is van een integratielevering.

Hof Den Bosch oordeelt dat de rechtbank op een juiste beslissing heeft genomen. Uit de rechtspraak volgt dat de Hoge Raad onder het begrip ‘vervaardigen’ mede het (laten) bouwen van een onroerende zaak begrijpt, en daarmee een richtlijnconforme interpretatie van art. 3, lid 3, onderdeel b Wet OB hanteert. Dat de term ‘gebouwd’ uit de richtlijnbepaling niet is overgenomen in de nationale bepaling levert geen onjuiste omzetting op van de richtlijnbepaling. Bovendien past de bedoeling van de wetgever om onder het begrip ‘vervaardigen’ mede te begrijpen het begrip ‘bouwen’ ook binnen de ratio van de integratieheffing, namelijk: het voorkomen van concurrentievervalsing door goederen die door een belastingplichtige zijn aangeschaft en bestemd zijn voor bedrijfsdoeleinden waarvoor geen recht op btw-aftrek bestaat fiscaal hetzelfde te behandelen als goederen die door een belastingplichtige of voor zijn rekening door een derde zijn vervaardigd of gewonnen en die voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

 De integratielevering in art. 3, lid 3, onderdeel b Wet OB is per 1 januari 2014 afgeschaft. Dit leidt er echter niet toe dat deze uitspraak daarom niet relevant is. In casu ging het om de omzetting van een richtlijnbepaling in de nationale wetgeving, met name wat het begrip ‘vervaardigen’ betreft. De richtlijnbepaling van de integratieheffing is een ‘kan-bepaling’. Dit houdt in dat de nationale wetgever de mogelijkheid heeft de integratieheffing te implementeren. Daarbij heeft hij de keuze om bepaalde termen wel of niet over te nemen, zolang de strekking van de richtlijnbepaling maar hetzelfde blijft. De Hoge Raad heeft in het Van Dijk’s Boekhuis-arrest geoordeeld dat de uitleg van het begrip vervaardigen ook van toepassing is bij de uitleg van de integratieheffing. Echter, het ‘inlezen’ van nieuwbouw in het Uniebegrip ‘vervaardigen’ is op basis van de parlementaire geschiedenis niet met de jurisprudentie van de Hoge Raad te verenigen. Naar onze mening dient ofwel het begrip vervaardigen van de integratieheffing niet conform het Van Dijk’s Boekhuis-arrest te worden uitgelegd waardoor conform de bedoeling van de wetgever ook nieuwbouw onder dit begrip kan vallen, ofwel dient het begrip vervaardigen wel conform het Van Dijk’s Boekhuis-arrest te worden uitgelegd waardoor nieuwbouw in weerwil van de bedoeling van de wetgever hier niet onder valt.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op