16 juni 2016Bij verkoop opwaardeerkaarten aan winkeliers btw verschuldigd over ontvangen bedrag

De maatstaf van heffing voor de verkoop van multifunctionele opwaardeerkaarten door een B.V. aan winkeliers bedraagt de nominale waarde van de kaarten minus de korting die de B.V. aan de winkeliers verleent, aldus Hof Den Haag.

Een B.V. biedt telecommunicatiediensten aan via een prepaid systeem. De B.V. heeft geen eigen netwerk, maar maakt gebruik van het netwerk van een telecomprovider. Als de B.V. een overeenkomst met een klant is aangegaan, verstrekt zij een SIM-kaart met een uniek 06-nummer. De B.V. verkoopt beltegoed via multifunctionele telefoonkaarten. Met deze opwaardeerkaarten kan de klant bellen, sms’en en gebruikmaken van andere diensten, zoals informatiediensten en het downloaden van ringtones. De klant kan deze opwaardeerkaarten online bestellen, maar kan deze ook via winkeliers kopen. De opwaardeerkaarten hebben een nominale waarde van € 10 of € 20. Bij verkoop via de winkeliers verkoopt de B.V. de kaarten tegen de nominale waarde minus de afgesproken korting (circa 10%). De winkelier verkoopt de kaarten tegen de nominale waarde aan de klant. Ter zake van beide verkopen wordt geen btw in rekening gebracht. In geschil is of dit juist is, en zo nee, over welk bedrag de B.V. btw verschuldigd is. Het geschil betreft het tijdvak december 2008.

In deze zaak is door Rechtbank Haarlem en Hof Amsterdam geoordeeld dat de maatstaf van heffing voor de verkoop van opwaardeerkaarten wordt gevormd door de ontvangen tegenprestatie, dat wil zeggen het daadwerkelijk van de winkelier ontvangen bedrag. De B.V. is naar het oordeel van het hof over dit ontvangen bedrag geen btw verschuldigd, omdat de opwaardeerkaart kwalificeert als een waardepapier waarvan de verkoop is vrijgesteld. In cassatie heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor de uitkomst van onderhavig geschil beslissend is in welke hoedanigheid de winkelier de opwaardeerkaart aan de gebruiker verstrekt. Het hof heeft met partijen derhalve ten onrechte als uitgangspunt genomen dat de (contractuele) verhouding tussen de B.V. en de winkelier alsmede die tussen de winkelier en de gebruiker van de opwaardeerkaart niet relevant is voor de beslechting van het geschil. De Hoge Raad heeft de zaak ter verdere behandeling met inachtneming van dit arrest verwezen naar Hof Den Haag.

Hof Den Haag heeft recent uitspraak gedaan. Het hof overweegt dat de winkelier ter zake van de in- en verkoop van de opwaardeerkaarten op eigen naam en voor eigen rekening en risico optreedt. Dat betekent dat de winkelier de opwaardeerkaarten uitsluitend in de hoedanigheid van verkoper aan de gebruiker verstrekt. Niet gezegd kan worden dat de winkelier (nog) een prestatie jegens de B.V. verricht. Hij treedt immers niet op als tussenpersoon en neemt ook geen betalingen in ontvangst namens de B.V., zodat hij uitsluitend met het oog op zijn eigen bedrijfsbelangen handelt en geen diensten jegens de B.V. verricht. Het hof is dan ook van oordeel dat de maatstaf van heffing voor de telecommunicatiediensten van de B.V. jegens de gebruiker alleen het bedrag behelst dat de B.V. feitelijk van de winkelier ontvangt (namelijk de nominale waarde van de opwaardeerkaart minus de met de winkelier afgesproken korting) en dus niet het bedrag dat de gebruiker aan de winkelier betaalt (namelijk de nominale waarde van de opwaardeerkaart). Het gelijk is aan de zijde van de B.V. Het hof verleent, zoals partijen in 2011 zijn overeengekomen, een teruggaaf van € 100.000 aan btw, een bedrag dat overeenkomt met het met de procedure gemoeide belang van de B.V.

 Het hof laat in het midden of de verkoop van de opwaardeerkaarten op grond van de (destijds geldende) btw-regels btw-vrijgesteld is, zoals A-G Van Hilten destijds in deze zaak concludeerde. Zie 8.3.1.7 voor meer informatie over de btw-behandeling van telefoonkaarten. 

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op