28 oktober 2016Bij btw-fraude geen beroep op vertrouwensbeginsel

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat als vaststaat dat de afnemer wist of had moeten weten van btw-fraude door de dienstverleners hij voor de aftrek van ten onrechte in rekening gebrachte btw geen beroep kan doen op het unierechtelijke of nationale vertrouwensbeginsel.

In deze zaak gaat het om een B.V. die zich in 2010 bezighoudt met schoonmaak- en opruimwerkzaamheden in gebouwen en op bouwplaatsen. Voor deze werkzaamheden heeft de B.V. gebruik gemaakt van de diensten van een uitzendbureau en van onderaannemers (hierna: de dienstverleners). Op de facturen die de B.V. aan haar opdrachtgevers heeft zij de btw-verleggingsregeling toegepast. Op de facturen die de dienstverleners aan de B.V. hebben uitgereikt, zijn bedragen van in totaal € 57.633 aan btw vermeld. De B.V. heeft deze btw teruggevraagd. De dienstverleners hebben de op de aan B.V. uitgereikte facturen vermelde btw niet op aangifte voldaan. Naar aanleiding van de btw-aangifte over het tweede kwartaal van 2010 heeft de inspecteur bij de B.V. informatie opgevraagd. De B.V. heeft in reactie daarop facturen, betaalbewijzen en een uitdraai van het (omzet)grootboek overgelegd. De Inspecteur heeft vervolgens teruggaaf verleend van het in die aangifte opgegeven btw-bedrag alsmede van de inmiddels bij de aangiften voor het derde en vierde kwartaal 2010 teruggevraagde btw-bedragen.

De inspecteur heeft in 2011 een onderzoek ingesteld in het kader waarvan onder meer de juistheid van de verleende teruggaven is onderzocht. Op basis van dat onderzoek heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat de dienstverleners de verleggingsregeling hadden moeten toepassen en derhalve ten onrechte btw aan belanghebbende in rekening hebben gebracht, zodat de B.V. geen recht op aftrek heeft van die btw. Om die reden heeft hij deze btw nageheven. Daarnaast heeft de inspecteur een boete opgelegd van 25%, omdat de B.V. volgens de inspecteur wist of behoorde te weten dat op haar verzoek ten onrechte btw-teruggaven zijn verleend. In geschil is of die naheffingsaanslag en boete terecht zijn opgelegd.

Rechtbank Den Haag en Hof Den Haag hebben geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel zich tegen de naheffing van de btw-aftrek verzet, omdat de inspecteur na het verkrijgen van de informatie van de B.V. de btw-teruggaven over het tweede tot en met het derde kwartaal van 2010 heeft verleend. Hof Den Haag heeft bij dit oordeel van belang geacht dat de door de B.V. verstrekte informatie niet onjuist was en ook niet onvolledig en de impliciete toezegging van de inspecteur ook niet zo duidelijk in strijd was met de wet dat de B.V. in redelijkheid niet op de nakoming van dit standpunt (lees: het recht op teruggaaf van de door de dienstverleners in rekening gebrachte btw) mocht rekenen. Tegen dit oordeel van het hof heeft de staatssecretaris cassatieberoep ingesteld, omdat het hof de stelling van de inspecteur dat de B.V. wist of had moeten weten van de btw-fraude door de dienstverleners niet heeft behandeld.

De Hoge Raad oordeelt dat wanneer aan de hand van objectieve gegevens vaststaat dat een btw-ondernemer wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor hij aanspraak maakt op het recht op btw-aftrek of –teruggaaf deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen en/of diensten die aanspraak moet worden geweigerd. De Hoge Raad verwijst voor dit oordeel naar het arrest van het HvJ in de gevoegde zaken Italmoda, Turbu.com B.V. en Turbu.com alsmede naar zijn eigen arrest in de zaak Italmoda. In overeenstemming hiermee komt een btw-ondernemer geen beroep toe op het unierechtelijke of nationale vertrouwensbeginsel ingeval vaststaat dat hij wist of had moeten weten van de btw-fraude. De inspecteur kan in een dergelijk geval ook btw naheffen wanneer hij aanvankelijk op grond van de door de B.V. verstrekte informatie een btw-teruggaaf heeft verleend. Dat de betreffende btw-ondernemer zelf geen voordeel heeft gehad van de btw-fraude doet hieraan niet af volgens het arrest van het HvJ in de gevoegde zaken Kittel en Recolta. Indien het hof van oordeel is geweest dat ook bij btw-fraude door de dienstverleners een geslaagd beroep kan worden gedaan op het vertrouwensbeginsel dan berust dit oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan had hij niet voorbij mogen gaan aan de stelling van de inspecteur dat de B.V. wist of had moeten weten van de btw-fraude door de dienstverleners. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep daarom gegrond en verwijst de zaak naar Hof Amsterdam.

 De beslissing van de Hoge Raad achten wij in overeenstemming met de door de Hoge Raad genoemde jurisprudentie van het HvJ. Voor de praktijk is dit arrest een belangrijk signaal dat een btw-ondernemer niet zomaar facturen moet accepteren indien hij twijfelt of zou moeten twijfelen aan de juistheid van de in rekening gebrachte btw. Dat geldt te meer indien een btw-ondernemer opereert in een fraudegevoelige sector, zoals de bouwsector. Hier ligt overigens ook een taak voor boekhouders, accountants en belastingadviseurs om cliënten hierop te wijzen. Dat de B.V. in deze zaak zelf de btw-verleggingsregeling toepast en voor dezelfde werkzaamheden facturen accepteert van onderaannemers met berekening van btw laat zien dat zij die zorgvuldigheid in ieder geval niet heeft betracht. Dat wil echter nog niet zeggen dat de B.V. wist of had moeten weten van btw-fraude door de dienstverleners. Dat moet Hof Amsterdam nog onderzoeken. Voor meer informatie over btw-fraude zie 12.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op