26 januari 2017Bescheid met totale aanneemsom plus btw is factuur

Ondernemers zijn btw verschuldigd op het moment dat de factuur uitgereikt wordt of had moeten worden uitgereikt en hebben recht op btw-aftrek op het moment dat de factuur ontvangen wordt. De factuur neemt dus een belangrijke plaats in het btw-stelsel in. Het is dan ook niet verwonderlijk dat voor de facturatie allerlei regels zijn opgesteld.

Een maatschap tussen twee echtgenoten handelt in onroerend goed en heeft in oktober 2008 opdracht gegeven tot het bouwen van een nieuw bedrijfspand voor verhuur aan een horecagroothandel. De afspraken over de bouw zijn in november 2008 vastgelegd in een overeenkomst. De maatschap heeft in 2008 geen betalingen gedaan. Pas in het eerste halfjaar van 2009 ontving de maatschap termijnfacturen. Ondanks het ontbreken van een factuur heeft de maatschap in de btw-aangifte over het vierde kwartaal van 2008 een bedrag van € 130.150 als voorbelasting aangegeven op basis van een in oktober 2008 uitgereikt bescheid waarop de totale bouwkosten en het btw-bedrag zijn vermeld. De inspecteur van de Belastingdienst is van mening dat de voorbelasting te vroeg is geclaimd, omdat het bescheid niet dient als factuur maar slechts als bouwkostenopgave, en heeft daarom een naheffingsaanslag en een vergrijpboete opgelegd. Wel heeft hij de btw over 2009 ambtshalve teruggegeven.

Rechtbank Arnhem en Hof Arnhem-Leeuwarden hebben de maatschap in het ongelijk gesteld. In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat in de Wet OB geen voorschrift bestaat met betrekking tot het eerste tijdstip waarop met betrekking tot een bepaalde overeengekomen prestatie een factuur kan worden uitgereikt. Dit betekent dat ook een factuur kan worden uitgereikt voordat de prestatie is verricht en dat dit alsdan de gevolgen heeft die de Wet OB aan het uitreiken van een factuur verbindt. Op grond hiervan is het niet uit te sluiten dat de bouwkostenopgave kwalificeert als een factuur, dat de hierop vermelde btw verschuldigd is en de maatschap recht heeft op aftrek van deze btw. De Hoge Raad heeft de zaak vervolgens verwezen naar Hof ’s Hertogenbosch ter verder onderzoek.

Hof ’s Hertogenbosch heeft recent geoordeeld dat het bescheid moet worden opgevat als een factuur in de zin van de Wet OB en dat de maatschap terecht de btw, zoals vermeld op de factuur, als voorbelasting in aftrek heeft gebracht. Ter zitting is met beide partijen vastgesteld dat het bescheid aan (vrijwel) alle voorwaarden voldoet die aan een factuur zijn gesteld. Op het bescheid, waarop het woord ‘Factuur’ vermeld is, is namelijk de datum van uitreiking, een (factuur)nummer, het btw-nummer van de bouwondernemer, naam en adres van de ondernemer en de afnemer, de hoeveelheid en de aard van de geleverde goederen, de vergoeding en het btw-tarief en het te betalen bedrag aan btw vermeld. Dat in plaats van het 19%-tarief melding wordt gemaakt van ‘6% btw’, maakt dit niet anders omdat dit volgens het hof een kennelijke verschrijving is, nu wel de juiste geldbedragen genoemd zijn. In tegenstelling tot de mening van de inspecteur is het hof van oordeel dat de hoeveelheid (omvang) en de aard van de te leveren goederen voldoende uit het bescheid en de daarmee samenhangende afspraken blijken, gelet op het recente arrest Barlis.

Het hof volgt de inspecteur niet in zijn stelling dat de maatschap, ook als het bescheid aan te merken is als een factuur, geen recht heeft op aftrek van voorbelasting omdat de maatschap wist of behoorde te weten dat de factuur niet de ‘echte’ factuur was, aangezien de bouw van het pand uiteindelijk door een vof zou worden uitgevoerd en niet door de op de factuur vermelde ondernemer. Volgens het hof kon in het tijdvak van naheffing niet redelijkerwijs worden aangenomen dat de maatschap de vergoeding niet (geheel) zou gaan betalen, omdat de maatschap ervan uitging dat haar betalingen aan de vof zouden worden geaccepteerd als betalingen aan de facturerende ondernemer.

Op grond van het destijds geldende art. 35, lid 1 Wet OB (nu art. 34c, lid 1 Wet OB) moet een ondernemer -voor zover in casu relevant- aan een andere ondernemer een factuur uitreiken wanneer hij goederen heeft geleverd (voltooide tijd) of een vooruitbetaling heeft ontvangen (eveneens voltooide tijd). In deze procedure kan niet gezegd worden dat in het vierde kwartaal een termijnbetaling is gedaan, terwijl in dit kwartaal het pand ook niet is opgeleverd. De Hoge Raad leest deze bepaling zo dat in de in art. 34c, lid 1 Wet Ob genoemde gevallen een factuur móét worden uitgereikt, maar dat het eerder kán. Bij het eerder uitreiken van de factuur ontstaat de verschuldigdheid van btw op het moment dat de factuur is uitgereikt. Hof ’s Hertogenbosch is daarom tot het oordeel gekomen dat de maatschap de btw terecht in aftrek heeft gebracht.

Voor de praktijk is het van belang om als opdrachtnemer terughoudend te zijn met het overeenkomen dat een factuur voor het totaalbedrag wordt uitgereikt voordat de prestatie is verricht en zonder dat de koper een vooruitbetaling doet. Dit betekent immers dat de ondernemer het volledige btw-bedrag moet voorfinancieren. Zoals deze zaak laat zien, laten de liquiditeiten van een ondernemer dat niet altijd toe. Voor meer informatie over de factureringsverplichtingen zie