13 maart 2014Beheer defined-contribution-pensioenregeling is btw-vrijgesteld

De Deense onderneming ATP Pension Service A/S (hierna: ATP) verricht diensten ten behoeve van pensioenfondsen. Haar voornaamste klant is PensionDanmark, een bedrijfspensioenfonds, voor wie ATP diensten op het gebied van systeemonderhoud en -ontwikkeling, administratie en betalingen en uitkeringen verricht. De diensten inzake betalingen en uitkeringen bestaan uit het openen van pensioenrekeningen voor individuele spaarders, waarover zij het totaalbedrag dat door een werkgever gestort wordt, verdeelt. ATP actualiseert deze rekeningen, waar de pensioenspaarders online toegang toe hebben, regelmatig. Indien bedragen verschuldigd zijn, geeft ATP de betreffende financiële instelling de opdracht deze bedragen aan de pensioenspaarders uit te betalen. Tot juni 2002 heeft ATP over al haar diensten btw in rekening gebracht. Naar aanleiding van het SDC-arrest (zie 8.3.1) meent zij nu echter dat haar diensten inzake betalingen ten gunste van en uitkeringen uit de pensioenregelingen kwalificeren als btw-vrijgestelde financiële handelingen. Hierop heeft de Deense fiscus laten weten dat de diensten inzake pensioenuitkeringen haars inziens zijn vrijgesteld van btw-heffing, maar de diensten in verband met binnenkomende betalingen, zoals het openen van individuele pensioenrekeningen, zijn belast met btw.

De Deense rechter heeft het HvJ EU een vijftal prejudiciële vragen gesteld. Ten eerste vraagt de rechter zich af of het begrip ‘gemeenschappelijke beleggingsfondsen’ pensioenfondsen zoals bedoeld in deze casus omvat en zo ja, of de diensten van ATP kwalificeren als het beheer van de beleggingsfondsen. Vervolgens vraagt de rechter zich af of de diensten door ATP inzake pensioenbetalingen kwalificeren als één enkele dienst of als afzonderlijke diensten en of deze als vrijgestelde ‘handelingen, betreffende betalingen of overmakingen’ of ‘handelingen, betreffende deposito’s en rekening-courantverkeer’ kwalificeren.

Het HvJ EU oordeelt in deze zaak dat een bedrijfspensioenfonds kan kwalificeren als gemeenschappelijk beleggingsfonds als zij wordt gefinancierd door de pensioenontvangers, het spaargeld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en het beleggingsrisico wordt gedragen door de leden van het pensioenfonds. In onderhavige zaak blijkt dit het geval te zijn. Het feit dat de premies ten voordele van de pensioenspaarders door hun werkgevers worden betaald op grond van een CAO tussen werkgevers- en werknemersorganisaties en dat de uitkeringen uit het fonds pas bij pensionering worden betaald, is niet relevant. Het feit dat de bijdragen volgens de regels inzake de inkomstenbelasting aftrekbaar zijn en dat een ondergeschikt verzekeringselement wordt toegevoegd, is evenmin relevant, aldus het HvJ EU.

Het begrip ‘beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen’ omvat – in antwoord op de tweede prejudiciële vraag – volgens het HvJ EU diensten waarmee een instelling de rechten van de leden van pensioenfondsen materialiseert door accounts aan te maken en de gestorte bijdragen op hun account in het systeem van de pensioenregelingen te boeken, diensten in verband met de boekhouding en de informatieverstrekking over rekeningen. Aangezien ATP heeft verklaard dat door haar diensten inzake pensioenbetalingen de voorwaarden van de schuldvordering jegens de bank wijzigen, antwoordt het HvJ EU op de overige prejudiciële vragen dat dergelijke handelingen kwalificeren als vrijgestelde diensten. De verwijzende rechter zal de betrokken handelingen moeten analyseren om te beoordelen of sprake is van vrijgestelde handelingen en of de overige door ATP verrichte diensten zo nauw met elkaar verbonden zijn, dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische beheerdienst vormen en het kunstmatig zou zijn deze te splitsen.

 In deze zaak gaat het om een andere situatie dan in de zaak Wheels Common Investment Fund Trustees Ltd e.a., waarin het HvJ EU oordeelde dat een ondernemingspensioenfonds geen gemeenschappelijk beleggingsfonds is, omdat de leden van de pensioenregeling niet het risico van het beheer van het beleggingsfonds (waarin de activa van de regeling waren samengebracht) droegen, aangezien het pensioen van de leden vooraf was vastgesteld (zogeheten defined-benefit-pensioenregelingen). De werknemers wisten in dat geval op voorhand wat hun uitkering zou zijn. De werkgevers waren verplicht het eventuele tekort aan te zuiveren, zodat het beleggingsrisico niet door de werknemers werd gedragen. Zie 8.3.1.8 voor meer informatie over de btw-vrijstelling voor (het beheer van) gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op