31 juli 2014Afzien integratieheffing ook na bestemmingswijziging mogelijk

Een woningstichting is in 2009 begonnen met de ontwikkeling van een project dat voorziet in de bouw van 46 appartementen. Van die appartementen zijn er 20 bestemd voor de (btw-belaste) verkoop en 26 voor de (btw-vrijgestelde) verhuur. In juli 2009 is door de woningstichting op grond van het destijds geldende Mededeling 26 verzocht om af te zien van de integratieheffing voor de te verhuren woningen. Aan dit verzoek is de inspecteur per brief van 10 november 2009 tegemoetgekomen. De btw ter zake van deze te verhuren appartementen is door de woningstichting niet in aftrek gebracht. Op 13 september 2011 heeft de woningstichting de inspecteur ingelicht over haar voornemen om acht van de oorspronkelijk voor verkoop bestemde appartementen alsnog voor de verhuur te bestemmen. De woningstichting heeft verzocht om deze acht appartementen alsnog buiten de integratieheffing te laten en tevens gevraagd of volstaan kon worden de correctie van de genoten btw-aftrek ter zake van deze appartementen. De inspecteur heeft de woningstichting medegedeeld dat voor deze appartementen niet van de integratieheffing kan worden afgezien nu ter zake van deze appartementen btw in aftrek is gebracht. In overleg met de inspecteur heeft de woningstichting een suppletieaangifte ingediend voor de btw die verschuldigd zou zijn bij de integratieheffing ter zake van deze acht appartementen waarna de inspecteur deze btw heeft nageheven. In geschil is of die naheffingsaanslag juist is.

De rechtbank stelt vast dat de goedkeuring voor woningcorporaties om af te zien van de integratieheffing voor de in eigen bedrijf vervaardigde en voor de verhuur bestemde woningen (Mededeling 26) per 1 januari 2010 is ingetrokken. Voor onroerende goederen waarvan de realisatie uiterlijk op 31 december 2009 is gestart gold echter een overgangsregeling. Tussen partijen is niet in geschil dat de acht appartementen in het laatste kwartaal van 2011 in gebruik zijn genomen en dat de woningstichting voldoet aan de voorwaarden voor de overgangsregeling. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat een goedkeuring in beginsel strikt moet worden uitgelegd, is zij van oordeel dat de aanvankelijk genoten btw-aftrek de toepassing van de goedkeuring niet verhindert. Doel en strekking van de goedkeuring is om de woningcorporaties te ontlasten van de integratieheffing. Dat aan het afzien van de integratieheffing de voorwaarde wordt verbonden dat de btw niet in aftrek wordt gebracht is logisch, nu toepassing van de goedkeuring de facto leidt tot een btw-vrijstelling bij de oplevering van woningen, aldus de rechtbank. Het onderhavige geval en doel en strekking van de goedkeuring verzetten zich tegen de uitleg dat de goedkeuring toepassing mist wegens de aanvankelijke btw-aftrek. Dat zou mogelijk anders zijn bij misbruik of oneigenlijk gebruik maar dat doet zich hier niet voor. De rechtbank oordeelt daarom dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd.

Mededeling 26 is onder druk van de Europese Commissie per 1 januari 2010 ingetrokken (waarbij een overgangsregeling is getroffen voor lopende woningbouwprojecten) en met ingang van 2014 is ook de integratieheffing verleden tijd. De uitspraak van de rechtbank heeft daarom alleen relevantie voor ‘oude’ jaren.?? 

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op