18 december 2017Afwijkende btw-behandeling van Avon door VK geoorloofd

Het HvJ oordeelt dat het niet in strijd is met het EU-recht dat het Verenigd Koninkrijk (hierna: VK) bij Avon de btw heft over de detailhandelsprijs, ook al wordt met deze afwijkende maatregel geen rekening gehouden met de fictieve voorbelasting over producten die de ‘dames van Avon’ aankopen.

Feiten
Avon Cosmetics Limited (hierna: Avon) verkoopt haar schoonheidsproducten in het Verenigd Koninkrijk aan vertegenwoordigers, bekend als de ‘dames van Avon’ die deze op hun beurt via de detailhandel met een opslag aan hun klanten verkopen (systeem van directe verkoop). Veel van de ‘dames van Avon’ hebben ervoor gekozen niet voor btw-doeleinden te registreren, omdat ze onder de drempelwaarde vallen voor verplichte btw-registraties. Hierdoor is op hun winstmarge geen btw verschuldigd.

De wegvloeiende btw in de laatste fase van de distributieketen is kenmerkend voor het systeem van directe verkoop. Om dit probleem op te lossen, heeft het Verenigd Koninkrijk op grond van art. 27 van de Zesde richtlijn verzocht en toestemming gekregen om af te wijken van de standaardregel dat btw wordt geheven over de feitelijke verkoopprijs. Dit houdt in dat de belastingdienst van het Verenigd Koninkrijk, Her Majesty’s Revenu and Customs (hierna: HMRC) de btw van Avon mag heffen over de detailhandelsprijs waartegen de ‘dames van Avon’ de producten aan de eindverbruiker verkopen, in plaats van over de groothandelsprijs die door de niet voor btw-doeleinden geregistreerde dames van Avon wordt betaald. Hierbij wordt echter geen rekening gehouden met de kosten die door de dames van Avon worden gemaakt en de voorbelasting die zij normaliter in aftrek hadden mogen brengen indien zij btw-plichtig waren geweest (hierna: fictieve voorbelasting). Het gevolg hiervan is dat de buiten beschouwing gelaten fictieve voorbelasting in verband met dergelijke kosten blijft ‘kleven’ in de distributieketen en dat de totale btw die wordt geheven hoger is dan het geval zou zijn bij verkoop via de normale detailhandelszaken.

Procedure
In het kader van een beroep van Avon tegen de van haar geheven btw stelt de verwijzende rechter een aantal vragen over de uitleg en de geldigheid van de afwijking. A-G Bobek concludeert dat de afwijkende regeling en de toepassing daarvan door het VK, waarbij geen rekening wordt gehouden met de ‘fictieve voorbelasting’ , niet in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel, de fiscale neutraliteit en de Zesde Richtlijn.

HvJ
Het HvJ oordeelt dat het niet in strijd is met het EU-recht, meer specifiek het evenredigheidsbeginsel en fiscale neutraliteitsbeginsel, dat het VK bij Avon de btw heft over de detailhandelsprijs waartegen de vertegenwoordigers de producten aan de eindverbruiker verkopen. De bij beschikking toegestane afwijkende maatregel maakt het mogelijk het verlies aan belastinginkomsten als gevolg van een ‘systeem van directe verkoop’ te voorkomen. Een dergelijke maatregel is geschikt om de doelstelling van bestrijding van belastontwijking te verwezenlijken en gaat niet verder dan noodzakelijk om de doelstelling van bestrijding van belastingontwijking te bereiken.
Verder legt het HvJ de machtiging strikt uit. De bij beschikking toegestane afwijkende maatregel ziet niet op de regels inzake het recht op aftrek, die zijn vervat in de artikelen 17 t/m 20 van de Zesde Richtlijn en die dus in deze casus van toepassing blijven. Wanneer volgens het HvJ rekening zou worden gehouden met de fictieve voorbelasting in de maatstaf van heffing zou dit in strijd zijn met de artikelen 17 t/m 20 van de Zesde Richtlijn. Bovendien zou, wanneer met deze fictieve voorbelasting rekening wordt gehouden in de maatstaf van heffing, de heffing van de btw bij de in deze beschikking bedoelde verkoopsystemen een ingewikkelde aangelegenheid kunnen worden.
Doordat de bij beschikking toegestane afwijkende maatregel geen rekening houdt met de fictieve voorbelasting van de ‘dames van Avon leidt dit ertoe dat op distributieketen van producten van deze vennootschap een grotere btw-last rust dan op distributieketen van de producten van haar concurrenten. Volgens het HvJ is deze omstandigheid slechts het gevolg van de keuze van Avon om haar producten te verkopen via een systeem van directe verkoop, waardoor er geen strijd is met het fiscale neutraliteitsbeginsel.

Het HvJ volgt de conclusie van de A-G.Het VK kent een hoge omzetdrempel voor verplichte btw registratie, namelijk £100.000. Kleine ondernemers, zoals de ‘dames van Avon’ zullen meestal onder deze drempel blijven. Voordeel van niet-registratie is natuurlijk dat ‘kleine’ ondernemers voor het grootste deel gevrijwaard blijven van allerlei administratieve verplichtingen. Ook voor de fiscus scheelt niet-registratie een hoop rompslomp. Gevolg van de niet-registratie is dat de ‘kleine’ ondernemer geen recht op aftrek van voorbelasting heeft. Daartegenover staat dat hij over zijn omzet geen btw is verschuldigd. Per saldo betekent dit dat over zijn winstmarge geen btw wordt geheven. Het VK heeft toestemming gekregen om van dit systeem af te wijken. In de onderhavige zaak betekent dat dat Avon over de verkoopprijzen aan de uiteindelijke consument btw is verschuldigd. De Belastingdienst heeft daardoor 2 voordelen: het voordeel van niet-registratie én er wordt btw over de volledige verkoopprijs geïnd. Avon meent dat het VK de machtiging die het heeft gekregen voor deze afwijkende regeling onjuist toepast, door geen rekening te houden met ‘fictieve’ voorbelasting. Het HvJ is het niet eens met Avon en legt de machtiging strikt uit. Wij zijn van mening dat het door Avon gesignaleerde probleem simpel kan worden opgelost. De ‘dames van Avon’ zouden zich immers vrijwillig voor btw-doeleinden kunnen laten registreren wanneer zij onder de omzetdrempel blijven en daarmee hun recht op aftrek van voorbelasting kunnen effectueren.
In Nederland speelt, in tegenstelling tot de VK, de hoogte van de omzet geen rol voor verplichte btw-registratie. Nederland kent namelijk de kleineondernemersregeling. Voor kleine ondernemers bestaat een financiële tegemoetkoming in de vorm van een vermindering van de te betalen btw. Een ondernemer wordt tot de kleine ondernemers gerekend als hij na aftrek van de voorbelasting per jaar niet meer dan €1883 aan btw moet betalen. Als de vermindering tot gevolg heeft dat een kleine ondernemer in het geheel geen btw hoeft te betalen, kan hij voor de btw ontheffing krijgen van de administratieve en factureringsverplichtingen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op