14 maart 2016Afschaffing Belgische btw-vrijstelling advocatendiensten niet strijdig met richtlijn en verdragen

Op grond van een overgangsbepaling die bij de Zesde Richtlijn is ingevoerd voor een periode van vijf jaar vanaf 1 januari 1978, en nog in de thans geldende richtlijn is opgenomen, heeft België de diensten door advocaten tot en met 31 december 2013 vrijgesteld van btw-heffing. De afschaffing van deze vrijstelling staat centraal in een procedure voor het HvJ.

Een aantal balies (beroepsverenigingen van advocaten) heeft samen met een aantal mensenrechten- en humanitaire verenigingen en een aantal personen die btw over advocatenkosten hebben moeten betalen een procedure in gesteld bij het Belgisch Grondwettelijk Hof. De partijen betogen dat de afschaffing van de btw-vrijstelling per 1 januari 2014 leidt tot verhoging van de proceskosten, hetgeen in strijd is met verschillende waarborgen voor het recht op toegang tot de rechter. Alvorens in deze procedure te beslissen, heeft het Grondwettelijk Hof prejudiciële vragen gesteld over een aantal bepalingen van de btw-richtlijn. De vragen spitsen zich toe op de verenigbaarheid van de btw-richtlijn met een aantal fundamentele beginselen uit het EVRM, het IVBPR, het Handvest, het Verdrag betreffende de EU en het Verdrag van Aarhus.

A-G Sharpston heeft recent conclusie genomen in deze zaak. De A-G geeft allereerst een bevestigend antwoord op de vraag of een lidstaat, die vastgehouden heeft aan de volledige vrijstelling voor de diensten door advocaten, gerechtigd was om deze daarna in een beperktere omvang te handhaven. Aangezien deze vraag is gesteld op het moment dat de vrijstelling volledig was afgeschaft, is deze echter niet-ontvankelijk. Het is mogelijk om de vraag op te vatten als de vraag of de vrijstelling na afschaffing opnieuw kan worden ingevoerd met een beperktere omvang. Deze vraag beantwoordt de A-G ontkennend. Dat zou namelijk neerkomen op de invoering van een nieuwe vrijstelling waarin de btw-richtlijn niet voorziet.

Naar de mening van de A-G kunnen diensten door advocaten in het kader van een nationaal rechtsbijstandsstelsel niet worden vrijgesteld als diensten die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en sociale zekerheid, of op grond van een andere vrijstellingsbepaling.

Met betrekking tot de verenigbaarheid van de btw-richtlijn met een aantal fundamentele beginselen merkt de A-G op dat hij begrip en sympathie heeft voor de door de genoemde partijen geuite zorgen en nagestreefde doelstellingen. De A-G is echter niet van mening dat de onderwerping van advocatendiensten aan de btw op een of andere wijze onverenigbaar is met enig aspect van het fundamentele recht op toegang tot de rechter. Aangezien België op vergoedingen voor gesubsidieerde rechtsbijstandsdiensten een btw-tarief van 0% toepast (om over- en weerboekingen van btw te vermijden), lijkt de afschaffing van de vrijstelling voor advocatendiensten er niet toe te leiden dat in België minder rechtsbijstand wordt verleend. Volgens de A-G is evenmin sprake van een verhoging van kosten van de toegang tot de rechter.

Tot slot zijn er volgens de A-G geen aanwijzingen dat het feit dat advocatendiensten niet zijn vrijgesteld neerkomt op een verschillende behandeling van vergelijkbare situaties. Er is dus geen sprake van een ongeoorloofde discriminatie van die diensten in  vergelijking met andere ‘activiteiten van algemeen belang’ waarvoor op grond van de btw-richtlijn een vrijstelling geldt, aldus de A-G.

België is de enige lidstaat die van deze afwijking in de richtlijn gebruik heeft gemaakt. In Nederland gold en geldt geen btw-vrijstelling voor diensten door advocaten, zodat deze procedure slechts relevant is voor België. Zie