27 januari 2017Afgeschafte integratieheffing leidt tot herziening volledige btw-aftrek bij verhuur appartementen

Tot 2014 moest een btw-ondernemer die op eigen grond een nieuw gebouw liet bouwen dat geheel of deels bestemd was voor btw-vrijgestelde prestaties in het tijdvak van ingebruikname 21% btw betalen over de totale voortbrengingskosten (de waarde van de grond, bouwkosten, leges etc.). Door deze zogenoemde integratieheffing mocht de btw-ondernemer de btw op de (bouw)kosten volledig in aftrek brengen. Met ingang van 2014 is de integratieheffing afgeschaft. Voor lopende bouwprojecten betekende dit dat tot 2014 de btw op de bouwkosten volledig in aftrek was gebracht, maar dat in 2014 of daarna geen integratieheffing was verschuldigd. Om dit (wel aftrek van btw, maar geen integratieheffing) te voorkomen is in Belastingplan 2014 een overgangsmaatregel opgenomen. Deze maatregel houdt in dat de btw-ondernemer de btw-aftrek tot en met 2013 moet herzien in het tijdvak waarin het nieuwe gebouw in gebruik genomen wordt. Daarnaast geldt op grond van art. 15, lid 4 Wet OB dat de btw-ondernemer de genoten aftrek in het tijdvak van ingebruikneming volledig moet herzien.

Een btw-ondernemer die op eigen grond een appartementencomplex heeft laten bouwen, heeft de btw op de bouwkosten in 2013 volledig in aftrek gebracht. In het derde kwartaal van 2014 zijn vier van de zeven appartementen in dit complex voor btw-vrijgestelde verhuur in gebruik genomen. In de aangifte over dit tijdvak heeft de btw-ondernemer de btw-aftrek die hij in 2013 heeft genoten gedeeltelijk gecorrigeerd, dit bedrag op aangifte voldaan en tegen de voldoening bezwaar aangetekend omdat de btw-ondernemer deze herziening niet in overeenstemming vond met de btw-richtlijn. De inspecteur van de Belastingdienst heeft het bezwaar afgewezen. Uiteindelijk beslissen zowel Rechtbank Noord-Holland als Hof Amsterdam dat deze herziening niet in strijd is met de btw-richtlijn. 

Rechtbank Noord-Holland heeft in eerste aanleg het beroep van de btw-ondernemer ongegrond verklaard. In hoger beroep oordeelt ook Hof Amsterdam het beroep van de btw-ondernemer, die  betwist of de herziening op grond van art. 15, lid 4 Wet OB in overeenstemming is met de btw-richtlijn, ongegrond.– Op grond van artikel 15, lid 4 Wet OB wordt de herzieningsgrondslag volgens het hof bepaald op het bedrag aan voorbelasting waarop de ondernemer, gelet op het gebruik op het moment van ingebruikneming, recht heeft. Naar het oordeel van het hof is de wetgever met de invoering van art. 15, lid 4 Wet OB niet getreden buiten de hem toegekende regelruimte. Art. 189 aanhef en onder b van de btw-richtlijn biedt de nationale wetgever namelijk ruimte voor nadere bepalingen. Op grond van het Gemeente Leusden/Holin Groep-arrest kan ook een bestemmingswijziging (van belast gebruik naar vrijgesteld gebruik) door een wetswijziging leiden tot herziening van de btw-aftrek, aldus het hof. De correcte van art. 15, lid 4 Wet OB moet naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als een ‘pre-herzieningscorrectie’, die plaatsvindt op een (ondeelbaar) moment vóór de eerste ingebruikneming. Hierover bevat de btw-richtlijn geen bepalingen, zodat niet gezegd kan worden dat de btw-richtlijn een dergelijke correctie in de weg staat. Het hof acht het resultaat van deze regeling niet in strijd met het beginsel van fiscale neutraliteit en/of het evenredigheidsbeginsel. De Gmina Miedzydroje-beschikking van het Hof van Justitie is in casu niet van toepassing omdat art. 189 aanhef en onder b van de btw-richtlijn geen bepaling van dwingend recht bevat en lidstaten dus niet verplicht zijn om een regeling overeenkomstig art. 15, lid 4 Wet OB in te voeren.

 In een soortgelijke zaak oordeelde Rechtbank Zeeland-West-Brabant dat de herziening niet was gebaseerd op art. 15, lid 4 Wet OB maar op de overgangsmaatregel in het Belastingplan 2014 en dat deze maatregel niet op art. 187, maar op art. 184 van de btw-richtlijn gebaseerd zou zijn. In ons commentaar op deze zaak betwijfelden wij al of dit juist is. Omdat bijzondere bepalingen voorgaan op algemene bepalingen had de rechtbank naar onze mening niet aan de herzieningsbepaling van art. 184, maar aan de herzieningsbepalingen van art. 187 e.v. van de btw-richtlijn moeten toetsen. Dit heeft  het hof in de onderhavige zaak wel gedaan.

Zie 10.5.1  voor meer informatie over de herzieningsregels.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op