23 maart 2017Aansprakelijkstelling btw-schulden fiscale eenheid niet in strijd met Unierecht

Een fiscale eenheid voor de btw wordt als een zelfstandig belastingplichtige aangemerkt. Dit betekent dat niet de onderdelen van de fiscale eenheid, maar de fiscale eenheid de btw verschuldigd is. Het lastige is dat de fiscale eenheid voor de btw civielrechtelijk niet bestaat waardoor de fiscale eenheid voor de btw geen verhaalsmogelijkheid biedt voor de ontvanger. Om die reden bepaalt art. 43, lid 1, van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) dat elk onderdeel van de fiscale eenheid hoofdelijk aansprakelijk is voor de btw-schulden van deze fiscale eenheid. Aan de Hoge Raad is de vraag voorgelegd of deze aansprakelijkstelling in strijd is met het Unierecht.

De feiten in deze casus zijn als volgt. Sinds 20 oktober 2003 vormt een B.V. samen met een Holding B.V. en nog drie andere B.V.’s een fiscale eenheid voor de btw. In mei 2012 zijn de drie andere B.V.’s failliet verklaard en heeft de inspecteur kenbaar gemaakt dat met ingang van 15 mei 2012 de fiscale eenheid alleen nog bestaat tussen de B.V. en de Holding B.V. Aan deze fiscale eenheid worden naheffingsaanslagen opgelegd over het eerste en tweede kwartaal van 2012. Deze naheffingsaanslagen zijn niet betaald. De B.V. wordt aansprakelijk gesteld voor de niet-betaalde naheffingsaanslagen.

De B.V. meent dat de aansprakelijkstelling van een ander dan de belastingplichtige voor de btw-schulden van die belastingplichtige in strijd is met de btw-richtlijn en de Unierechtelijke beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid. Daarnaast meent zij dat aansprakelijkstelling voor btw-schulden van de fiscale eenheid niet mogelijk is indien de fiscale eenheid niet meer (in ongewijzigde vorm) bestaat. De B.V. wordt zowel door Rechtbank Noord-Holland als Hof Amsterdam in het ongelijk gesteld.

In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat de lidstaten alle maatregelen mogen vaststellen om misbruik of fraude met gebruikmaking van de fiscale eenheid voor de btw te voorkomen (art. 11 btw-richtlijn) en dat de btw op grond van art. 193 van de btw-richtlijn, met uitzondering van enkele niet van toepassing zijnde uitzonderingen, is verschuldigd door de belastingplichtige. De fiscale eenheid is degene die de btw-verschuldigd is, maar omdat deze geen civiel juridisch bestaan kent, is er geen verhaalsmogelijkheid. Art. 43, lid 1, van de IW beoogt daarom te verzekeren dat de btw die door de fiscale eenheid is verschuldigd, ingevorderd kan worden bij de natuurlijke personen en lichamen die onderdeel uitmaken van die fiscale eenheid. Gelet hierop acht de Hoge Raad het redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar dat art. 43, lid 1 IW verenigbaar is met art. 193 btw-richtlijn.

De hoofdelijke aansprakelijkstelling van de onderdelen van de fiscale eenheid maakt volgens de Hoge Raad ook geen inbreuk op de Unierechtelijke beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid. Aan het vormen van een fiscale eenheid worden namelijk cumulatieve voorwaarden gesteld en door de inspecteur wordt in een beschikking vastgesteld dat de fiscale eenheid bestaat en uit welke onderdelen. Bovendien zijn de rechtsgevolgen van het bestaan van een fiscale eenheid met voldoende nauwkeurigheid wettelijk geregeld. Ook het argument dat een aansprakelijkstelling op grond van art. 43, lid 1, van de IW voor de btw-schulden van een fiscale eenheid niet mogelijk is als de fiscale eenheid op het moment van de aansprakelijkstelling niet meer (in ongewijzigde vorm) bestaat slaagt niet. Ook dit argument heeft geen kans van slagen, omdat voor de aansprakelijkstelling van de btw-schulden van een fiscale eenheid alleen van belang is of deze fiscale eenheid bestaat op het tijdstip dat de belasting verschuldigd is geworden. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

 De fiscale eenheid in de btw is een fictie: voor de btw wordt gedaan alsof sprake is van één (rechts)persoon, terwijl er civielrechtelijk meerdere personen zijn. Voor het kunnen vormen van een fiscale eenheid is vereist dat alle deelnemende personen btw-ondernemer zijn, in Nederland zijn gevestigd en financieel, organisatorisch en economisch verweven zijn. Het gevolg van het vormen van een fiscale eenheid is dat deze fiscale eenheid de belastingplichtige wordt voor de btw. Daarbij worden de onderlinge transacties tussen de onderdelen onzichtbaar voor de btw. In beginsel wordt door de fiscale eenheid één btw-aangifte ingediend. In Nederland is het echter mogelijk dat de onderdelen afzonderlijk btw-aangifte doen op hun subnummer van de fiscale eenheid. Omdat de fiscale eenheid civielrechtelijk niet bestaat kan zij ook niet beschikken over een vermogen. Om toch een verhaalsmogelijkheid te garanderen, is in art. 43, lid 1 IW een bepaling opgenomen dat alle onderdelen van de fiscale eenheid hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de btw-schulden van de fiscale eenheid. Deze hoofdelijke aansprakelijkheid geldt alleen voor de btw-schulden die zijn ontstaan in het tijdvak waarin het desbetreffende onderdeel deel uitmaakte van de fiscale eenheid. Indien op een gegeven moment duidelijk is dat het dermate slecht gaat met een onderdeel van de fiscale eenheid, kan onder de hoofdelijke aansprakelijkstelling slechts worden uitgekomen door dit onderdeel tijdig te ontvoegen uit de fiscale eenheid. Op die manier worden de gezonde onderdelen van de fiscale eenheid niet hoofdelijk aansprakelijk voor de eventuele opkomende btw-schulden van het ontvoegde onderdeel. Een ontvoeging is echter slechts mogelijk indien niet langer aan de voorwaarden voor een fiscale eenheid wordt voldaan en veronderstelt een daadwerkelijke (lees: niet slechts een papieren) wijziging in de zeggenschap, de leiding en/of de activiteiten. In de praktijk blijkt ontvoeging van een slecht draaiend onderdeel van de fiscale eenheid daarom vaak een lastige opgave.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op