24 september 2018A-G: Winstmargeregeling ook van toepassing op een wederverkoper in kunstvoorwerpen uit andere lidstaten

Ter opmerking: in Nederland is een intracommunautaire levering onderworpen aan het 0%-tarief met recht op aftrek van voorbelasting. In andere lidstaten wordt de intracommunautaire levering aangemerkt als vrijgestelde levering met recht op aftrek van voorbelasting.

Feiten

Harry Mensing verricht activiteiten op het gebied van handel in kunstvoorwerpen in verschillende steden in Duitsland. In het belastingjaar 2014 heeft hij onder andere kunstvoorwerpen verworven van makers uit andere lidstaten. Deze leveringen werden in de lidstaat van oorsprong vrijgesteld van btw, maar Mensing heeft daarover wel btw over intracommunautaire verwervingen betaald. Daarbij heeft hij geen gebruik van het recht op aftrek gemaakt. De Duitse Belastingdienst wijst het verzoek van Mensing om toepassing van de winstmargeregeling af, omdat de makers hebben geprofiteerd van de btw-vrijstelling met recht op aftrek van voorbelasting. De verwijzende Duitse rechter heeft vervolgens prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ.

A-G

Wisselwerking tussen art. 314 en art. 316 btw-richtlijn

De A-G stelt dat de inleidende zin van art. 314 btw-richtlijn bepaalt dat de winstmargeregeling ‘van toepassing’ is in gevallen die in dat artikel worden vermeld. Dat betekent dat deze regeling automatisch van toepassing is indien aan de vermelde voorwaarden is voldaan. Art. 316, lid 1, van de richtlijn verleent de belastingplichtige wederverkoper evenwel ‘het recht te kiezen voor toepassing van de winstmargeregeling ‘in de in die bepaling genoemde gevallen, welke verschillen van die van art. 314. Volgens de A-G wijst niets in de bewoordingen van deze bepalingen erop dat het recht op toepassing van de winstmargeregeling krachtens art. 316, lid 1 btw-richtlijn is onderworpen aan de voorwaarden van art. 314. Naar de mening van de A-G volgt uit de bewoordingen van de wetgever het recht waarin wordt voorzien in art. 316, lid 1, btw-richtlijn heeft bedoeld als een aanvulling op de wezenlijke strekking van de winstmargeregeling als bedoeld in art. 314. Wanneer de toepassing van art. 316, lid 1 btw-richtlijn zou zijn onderworpen aan de voorwaarden van art. 314 btw-richtlijn, zou art. 322 worden uitgehold/zinloos worden volgens de A-G.

Slotconclusie

De A-G komt tot de slotconclusie en is van mening dat de winstmargeregeling ook kan worden toegepast op de levering van kunstvoorwerpen die Mensing heeft verworven van de makers of diens rechthebbenden uit andere lidstaten, die niet tot de in art. 314 btw-richtlijn vermelde categorieën personen behoren, ook wanneer deze personen hebben geprofiteerd van de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen krachtens art. 138, lid 1 met recht op aftrek van voorbelasting. Verder merkt de A-G nog op dat Mensing op basis van art. 322, onder b btw-richtlijn geen recht heeft op aftrek van de btw die hij heeft betaald over de intracommunautaire verwerving van kunstvoorwerpen op de levering waarvan hij de winstmargeregeling toepast. Dit is zelfs het geval als het nationale recht een dergelijk recht op aftrek van belasting niet uitsluit.

Wij zijn het eens met de conclusie van de A-G. Uit art. 316 btw-richtlijn lid 1 onderdeel b volgt ons inziens dat de margeregeling ook kan worden toegepast op de levering van kunstvoorwerpen die de wederverkoper heeft verworven van de maker, ook wanneer deze personen hebben geprofiteerd van de vrijstelling voor ICL met recht op aftrek van voorbelasting. Daarnaast volgt uit art. 322 btw-richtlijn letterlijk dat de wederverkoper geen recht heeft op aftrek van de btw die hij heeft betaald over de intracommunautaire verwerving van kunstvoorwerpen op de levering waarvan hij de winstmargeregeling toepast.

De Wet OB strookt naar onze mening niet met de btw-richtlijn. In Besluit van 17 juli 2014, nr. BLKB2014/546M in onderdeel 4.15 heeft de Staatssecretaris besloten dat als een Nederlandse wederverkoper margegoederen aankoopt in een andere lidstaat, in Nederland geen intracommunautaire verwerving plaats vindt op grond van artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, Wet OB. Op de doorlevering van deze margegoederen kan de wederverkoper de margeregeling toepassen. De A-G kijkt hier dus anders naar. Ook is art. 1a, eerste lid , onderdeel Wet OB niet terug te vinden in de btw-richtlijn. Wij zijn van mening dat de wedeverkoper in Nederland met een beroep op het Besluit van 17 juli 2014 en de Wet OB art. 1a, eerste lid, onderdeel d Wet OB. geen btw hoeft te betalen over de intracommunautaire verwerving en dat hij op de (door)verkoop de margeregeling kan toepassen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op