24 november 2014A-G: volledige aftrek apotheker voor inrichting praktijkruimten huisartsen

Een exploitant van een apotheek heeft met vijf huisartsen gezamenlijk een (casco) bedrijfsverzamelgebouw gehuurd, teneinde een samenwerking tot stand te brengen. De ruimten in dit gebouw zijn afgebouwd en ingericht voor een bedrag van ruim anderhalf miljoen euro, dat door de dienstverrichters aan de apotheker is gefactureerd en volledig door hem is betaald. De apotheker heeft vervolgens de btw over dit bedrag volledig in aftrek gebracht. De inspecteur heeft een deel van deze btw nageheven en voert daarvoor verschillende redenen aan. 

De inspecteur is van mening dat niet de apotheker, maar de huisartsen afnemer zijn voor (een deel van) de prestaties. Rechtbank Den Haag stond echter volledige btw-aftrek toe en vernietigde de door de inspecteur opgelegde naheffingsaanslag. In hoger beroep oordeelde Hof Den Haag tegengesteld, namelijk dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd omdat er kennelijk ook tussen de dienstverrichters en de huisartsen rechtsbetrekkingen hebben bestaan, nu zij deel hebben genomen aan overleg over de inrichting van het gebouw. De inrichtingsprestaties dienden bovendien met name het belang van de huisartsen. Mocht de apotheker al afnemer zijn, dan heeft zij naar het oordeel van het hof geen recht op aftrek in verband met de toepasbaarheid van het BUA. 

In cassatie gaat A-G Van Hilten in haar conclusie in op de vraag of de inrichtingswerkzaamheden aan de apotheker zijn verricht, één van de vier voorwaarden voor het recht op aftrek. Uit jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad blijkt dat degene die de opdracht geeft tot presteren en daarvoor betaalt in principe als de afnemer van de prestatie wordt gezien. In casu zijn de facturen aan de apotheker gericht, door hem betaald en hebben de dienstverrichters kennelijk in opdracht van de apotheker gehandeld. Hieraan doet volgens de A-G niet af dat de die prestaties (mede) ten goede komen aan de huisartsen, of zelfs ‘in volstrekt overwegende mate het belang van de huisartsen dienen’. Dat de huisartsen hebben deelgenomen aan het overleg brengt niet noodzakelijkerwijs met zich mee dat er tussen hen en de verrichters van de verbouwingsprestatie ook (mondelinge) overeenkomsten zijn gesloten waaruit afdwingbare rechten en plichten voortvloeien, zodat de A-G tot de slotsom komt dat de prestaties verricht zijn aan de apotheker. 

Voorts meent de A-G dat, wil het BUA (zie 10.3.4) van toepassing zijn, de apotheker de inrichtingskosten in het kader van zijn onderneming heeft gemaakt, aangezien anders niet aan het BUA wordt toegekomen. Naar de mening van de A-G is van een relatiegeschenk zoals bedoeld in het BUA (zie 10.3.4.3) geen sprake, omdat dit veronderstelt dat tussen de apotheker en de huisartsen reeds een zakelijke relatie bestond, hetgeen in casu niet het geval is. Daarnaast is evenmin sprake van een ‘andere gift’, nu de apotheker de inrichting niet uit vrijgevigheid heeft bekostigd, maar uit zakelijke motieven, namelijk omzetvergroting. 

De A-G adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep gegrond te verklaren en de zaak te verwijzen naar een ander hof, omdat Hof Den Haag niet is toegekomen aan de beoordeling van de stelling van de inspecteur dat sprake is van misbruik van recht. De Hoge Raad moet nog arrest wijzen.

Zie 10.1.1 voor meer informatie over de aftrek van in rekening gebrachte btw.?

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op