26 mei 2016A-G: verwerving vee door fiscale eenheid die veehandelregeling toepast niet btw-vrijgesteld

De intracommunautaire verwerving van goederen waarvan de levering in het binnenland in elk geval is vrijgesteld, is vrijgesteld van btw-heffing. Naar de mening van A-G Ettema geldt deze btw-vrijstelling niet bij de intracommunautaire verwerving van vee door een veehandelaar die de bijzondere veehandelregeling toepast.

Een fiscale eenheid van twee in Nederland gevestigde B.V.’s die in vee handelen met een vaste inrichting in Duitsland heeft, in verband met een levering, vanuit de Duitse vaste inrichting vee vervoerd naar Nederland. De veehandelaar is van mening dat de levering van vee in elk geval is vrijgesteld op grond van de veehandelregeling en daarmee is voldaan aan de voorwaarde voor vrijstelling van de intracommunautaire verwerving. Om die reden heeft de veehandelaar de 6% btw die hij ter zake van de verwerving had voldaan, teruggevraagd. De inspecteur heeft deze teruggaaf geweigerd, omdat de veehandelregeling volgens hem niet kan worden opgevat als een vrijstelling en, al zou dit al zo zijn, niet gesteld kan worden dat de levering van vee in Nederland ‘in elk geval’ is vrijgesteld zoals art. 17e Wet OB vereist.

In eerste aanleg heeft Rechtbank Leeuwarden in deze zaak geoordeeld dat de veehandelregeling een buitenwettelijke regeling die gebaseerd is op een goedkeuring, waardoor de regeling niet kan worden aangemerkt als een ‘vrijstelling in Nederland’ in de zin van de Wet OB of de btw-richtlijn. De teruggaaf is naar het oordeel van de rechtbank derhalve terecht geweigerd. In hoger beroep heeft Hof Arnhem-Leeuwarden in gelijke zin geoordeeld en hieraan toegevoegd dat de intracommunautaire verwerving niet in elk geval vrijgesteld is, omdat er ook veehandelaren zijn die de veehandelregeling niet toepassen.

De fiscale eenheid heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het hof. De fiscale eenheid betoogt ten eerste dat uit de zaken VDP Dental Laboratory en Nobel Biocare volgt dat een intracommunautaire verwerving altijd het regime moet volgen dat geldt voor de levering (vrijgesteld of belast) van de lidstaat van bestemming. In haar conclusie geeft A-G Ettema aan dat het HvJ dit inderdaad heeft geoordeeld, maar dat het HvJ zich niet heeft uitgelaten over de vraag wat te doen als geen sprake is van een vrijstelling of van een vrijstelling die niet ‘in ieder geval’ geldt, zoals in casu aan de orde is. Het Hof heeft naar de mening van de A-G daarom terecht geoordeeld dat de aangehaalde arresten niet volgt dat de veehandelregeling ‘in de plaats treedt’ van de intracommunautaire verwerving.

Het tweede cassatiemiddel van de fiscale eenheid luidt dat het hof de term ‘vrijstelling’ uit art. 17e Wet OB en art. 140 btw-richtlijn te beperkt heeft uitgelegd en dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Dit rechtsoordeel kan echter niet worden bestreden met een motiveringsklacht, aldus de A-G. Mocht dit wel hebben gekund, dan heeft het hof volgens de A-G terecht geoordeeld dat de veehandelregeling niet kan worden aangemerkt als een vrijstelling, want zelfs als geoordeeld zou moeten worden dat de veehandelregeling wel als vrijstelling heeft te gelden – hetgeen naar de mening van de A-G uitdrukkelijk niet zo is – brengt het optionele karakter van die regeling met zich dat het geen vrijstelling is die ‘in ieder geval’ geldt.

De A-G adviseert het cassatieberoep van de fiscale eenheid ongegrond te verklaren.

Aangezien de veehandelregeling een optionele regeling is, die enkel op verzoek en voor ten minste vijf jaar aan een stuk geldt, is de A-G ons inziens terecht tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een ICV van goederen waarvan de levering in het binnenland in elk geval is vrijgesteld. Zie 9.1.5 voor meer informatie over intracommunautaire verwervingen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op