13 juli 2017A-G: vermelding postbusadres op factuur rechtvaardigt geen weigering btw-aftrek

Advocaat-generaal Wahl heeft recent conclusie genomen in een tweetal Duitse zaken, namelijk RGEX GmbH en Igor Butin, die gaan over de vermelding van het adres van een btw-ondernemer op een factuur. Naar zijn mening volstaat de vermelding van een postbusadres op de factuur niet om de btw-aftrek te weigeren.

In de zaak RGEX GmbH (hierna: RGEX) gaat het over de gelijknamige vennootschap RGEX, inmiddels in liquidatie, die tot 2015 handelde in motorvoertuigen. In 2008 gaf RGEX in haar btw-aangifte onder meer btw-vrije intracommunautaire leveringen van motorvoertuigen en een aftrekbaar bedrag van ruim € 1,9 mio voor 122 voertuigen die zij van de vennootschap EXTEL GmbH had afgenomen. De Duitse fiscus ging niet akkoord met de aangifte. Zij is van mening dat btw verschuldigd was over de intracommunautaire leveringen, omdat de voertuigen niet naar het buitenland vervoerd waren, maar in de Duitse handel waren gebracht. De btw die RGEX terugvorderde op grond van de facturen van EXTEL is volgens de fiscus niet aftrekbaar omdat deze vennootschap volgens de fiscus een dekmantelbedrijf was, dat zijn zetel van bedrijfsuitoefening niet op het factuuradres (“brievenbusadres”) had.

De zaak Igor Butin gaat om de heer Butin die een autohandel drijft in Duitsland en op basis van facturen btw in aftrek heeft gebracht ter zake van de aankoop van een aantal voertuigen die hij had gekocht van onderneming “Z” en die voor wederverkoop bestemd waren. Aangezien Z uitsluitend via internet handeldrijft, vond de levering aan Butin of diens medewerker plaats in de straat waar Z gevestigd was (hoewel Z vanaf dat adres geen handel dreef) of op openbare locaties, zoals stationspleinen. Ook in deze casus is de Duitse fiscus van mening dat de btw op de ontvangen facturen niet aftrekbaar was, omdat het adres van Z onjuist was, aangezien dit slechts een brievenbusadres was. Z beschikt volgens de fiscus niet over een vaste inrichting in Duitsland.

De Duitse rechter heeft in beide zaken prejudiciële vragen gesteld. Aangezien deze over hetzelfde vraagstuk gaan, heeft het HvJ de zaken gevoegd. Advocaat-Genereaal Wahl (hierna: de A-G) heeft recent conclusie genomen. De A-G merkt allereerst op dat aftrek van btw moet worden toegestaan als de materiële voorwaarden zijn vervuld, ook als een btw-ondernemer niet voldoet aan bepaalde formele voorwaarden. Het bezit van een factuur is, volgens eerdere jurisprudentie van het HvJ, een formele en geen materiële voorwaarde voor het recht op aftrek. Lidstaten mogen de uitoefening van het aftrekrecht niet afhankelijk stellen van voorwaarden inzake de inhoud van de facturen waarin de btw-richtlijn niet uitdrukkelijk voorziet, aldus vaste jurisprudentie van het HvJ. Het HvJ heeft laten zien op dit punt steeds een realistische en pragmatische in plaats van meer formalistische benadering te volgen. Gelet op de tekstuele en teleologische uitleg van art. 226 btw-richtlijn kan een strikte uitleg van het begrip ‘adres’ niet gerechtvaardigd worden in het licht van de functie die de factuur in het btw-stelsel vervult, aldus de A-G. Het adres moet, samen met de naam en het btw-identificatienummer van de btw-ondernemer, duidelijk maken wie de opsteller van de factuur is. De A-G meent dan ook dat de eis van de Duitse fiscus dat op dit adres daadwerkelijk economische activiteiten verricht moeten worden, te strikt is. Deze eis is moeilijk hard te maken in een tijd waarin verschijnselen zoals e-commerce, office sharing en telewerk in opmars zijn, meent de A-G, omdat het lastig kan zijn om een economische activiteit aan één specifieke plaats te koppelen.

De Duitse rechter heeft, naast de vraag of een postbusadres volstaat als adres, de vraag gesteld of, en zo ja hoe, een btw-ondernemer zich op zijn goede trouw moet kunnen beroepen als het adres op de factuur onvolledig of onjuist is. De A-G meent dat deze vraag niet meer beantwoord hoeft te worden, aangezien deze uitgaat van de premisse dat de btw-ondernemer op het op de factuur vermelde adres een economische activiteit moet verrichten en de A-G deze premisse zojuist heeft ontkracht. Toch gaat de A-G kort in op dit laatste vraagstuk. Hij wijst op het arrest PPUH Stehcemp van het HvJ waaruit blijkt dat een btw-ondernemer zijn aftrekrecht verliest als hij wist of had moeten weten dat hij met zijn aankoop deelnam aan een handeling die deel uitmaakte van btw-fraude. Hij moet dan aantoonbaar onvoorzichtig hebben gehandeld en niet de zorgvuldigheid hebben betracht die van een redelijk bedachtzaam ondernemer kan worden verwacht. Het is echter onredelijk om van een btw-ondernemer te eisen dat hij uitvoerige of tijdrovende controles verricht, zoals de controle of het factuuradres van een leverancier het adres is waar die leverancier zijn economische activiteit uitoefent, zijn bedrijfsruimte heeft of feitelijk of wettelijk op dat adres is gevestigd, aldus de A-G.

 Wij volgen de conclusie van de A-G. Lidstaten mogen maatregelen nemen die een inbreuk maken op het recht op btw-aftrek om de juiste inning van de btw te waarborgen en btw-fraude te voorkomen. Deze maatregelen moeten echter proportioneel zijn en dat is de aftrekweigering door de Duitse fiscus bij vermelding van een postbusadres op de factuur ons inziens niet, omdat – zoals de A-G terecht aangeeft – niet van een afnemer verwacht mag worden dat hij op bezoek gaat bij de adressen die zijn afnemers opgeven. Zeker anno 2017 is de feitelijke vestigingsplaats van een bedrijf geen statisch gegeven meer, maar kan dit flexibel zijn. Als het HvJ de conclusie van de A-G volgt, zal het Nederlandse beleid aangepast moeten worden. In het besluit administratieve en factureringsverplichtingen (zie geoordeeld. Naar het oordeel van de Hoge Raad volstaat het dat de leverancier/dienstverrichter aan de hand van de op de factuur vermelde naam en het op de factuur vermelde (postbus)adres kan worden geïdentificeerd.

Zie