21 november 2017A-G: verhuur ligplaats voor sportvaartuig door jachthaven belast met 6%

Het geven van gelegenheid tot sportbeoefening is belast met 6% btw, terwijl de verhuur van ligplaatsen belast is met 21% btw. De A-G adviseert het HR te oordelen om het 6% tarief toe te passen op de verhuur van ligplaatsen voor sportvaartuigen door jachthaven.

Feiten
X is exploitant van een jachthaven, waar zowel de leden van X als passanten een ligplaats kunnen huren voor hun zeil- of motorboten. X heeft twee havenmeesters in dienst. De inkomsten van X bestaan onder andere uit liggelden van haar leden en passanten. Tegen de betaling van liggeld kan onder andere gebruik worden gemaakt van een ligplaats, steigers, toiletten, douches, afvaldepots, groenvoorziening, opslaglocaties en diverse onderhouds- en reparatieapparatuur en kan er water worden getankt en elektra worden geladen aan boord, is er EHBO/BHV aanwezig en is sprake van toezicht door de havenmeesters of via camerabewaking. X organiseert ook zeillessen en –wedstrijden tegen een afzonderlijke – niet in het liggeld inbegrepen – vergoeding. In geschil is of met betrekking tot de vergoeding voor het ter beschikking stellen van een ligplaats het verlaagde tarief van 6% kan worden toegepast.

Procedure
X is van mening dat zij met het ter beschikking stellen van een ligplaats het recht verleent om gebruik te maken van een sportaccommodatie, een prestatie die belast is met 6% btw. De inspecteur van de Belastingdienst is echter van mening dat de jachthaven niet aan te merken is als sportaccommodatie en de diensten van X niet zien op sportbeoefening, zodat de terbeschikkingstelling van de ligplaatsen moet worden aangemerkt als de met 21% btw belaste terbeschikkingstelling van parkeerruimte voor voertuigen. Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat X geen gelegenheid geeft tot de eigenlijke sportbeoefening onder terbeschikkingstelling van een sportaccommodatie. Het beroep van X is ongegrond. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de verhuur van de ligplaatsen in de jachthaven niet is aan te merken als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening onder terbeschikkingstelling van een sportaccommodatie. Volgens het hof is sprake van de verhuur van parkeerruimte voor boten. X is tegen de uitspraak van het hof in cassatie gegaan.

A-G
Uit de rechtspraak van het HvJ, in het bijzonder Commissie/Nederland, leidt de A-G af dat de onderhavige dienst als een enkele (niet-samengestelde) dienst moet worden beschouwd. Daarnaast stelt de A-G dat uit het arrest Bastová volgt dat onder het begrip ‘recht gebruik te maken van sportaccommodaties’ het recht moet worden verstaan ‘accommodaties te gebruiken die voor sportbeoefening en lichamelijke opvoeding bestemd zijn, alsmede het gebruik daarvan met dat doel voor ogen’. Deze uitleg brengt volgens de A-G met zich mee dat enkel diensten die verband houden met het gebruik van accommodaties die nodig zijn voor de beoefening van sport onder punt 14 van Bijlage III bij de Btw-richtlijn kunnen vallen. De onderhavige terbeschikkingstelling van een ligplaats in een jachthaven met de bijbehorende gemeenschappelijke jachthavenfaciliteiten is volgens de A-G een dienst die verband houdt met het gebruik van een accommodatie die nodig is voor sportbeoefening, voor zover het gaat om een vaartuig dat wegens zijn objectieve kenmerken geschikt is voor beoefening van sport. De A-G adviseert het HvJ te oordelen om de verhuur van ligplaatsen voor sportvaartuigen door jachthaven te belasten met 6%.

 Wij zijn het niet eens met de conclusie van de A-G. De conclusie van de A-G is naar onze mening niet in lijn met een arrest van de Hoge Raad uit 2011 (HR december 2011, nr. 10/02778) waarin geoordeeld is dat zeillessen vanuit een gereserveerde walaccommodatie met jachthaven en gemarkeerd vaarwater belast is met 6% btw en waaruit geconcludeerd kan worden dat een jachthaven kan kwalificeren als sportaccommodatie. In casu ontbreken echter de op watersport gerichte diensten, waardoor het 6%-tarief niet van toepassing is. De verhuur van ligplaatsen is conform het FML-arrest van het HvJ belast met 21% btw. In de Wet OB is dit opgenomen in art. 11, lid 1 onderdeel b 3°. Het is afwachten op een uitspraak van de Hoge Raad. Naar onze verwachting zal de Hoge Raad de conclusie van de A-G niet volgen, aangezien de Hoge Raad dan anders moet beslissen als het bovengenoemde arrest. Of de Hoge Raad moet omgaan en terugkomen op zijn eerdere uitspraak. Zie 5.2.2 voor meer informatie over de toepassing van het 6%-tarief op het geven van gelegenheid tot sportbeoefening in een sportaccommodatie.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op