30 juni 2017A-G: VEB geen recht op btw-aftrek collectieve juridische acties

VEB, die de belangen behartigt van effectenbezitters, mag de btw op de juridische kosten voor collectieve juridische acties die zij uit eigen beweging start niet in aftrek brengen, aldus A-G Ettema.

In deze zaak gaat het om de beleggersvereniging VEB die de behartiging van belangen van effectenbezitters en het bevorderen van effectenbezit ten doel heeft. In dat kader voert VEB collectieve juridische acties tegen bedrijven die volgens haar schade hebben toegebracht aan de belangen van beleggers. Als een juridische actie uitmondt in een schikking met het desbetreffende bedrijf, ontvangen de beleggers (door tussenkomst van VEB) een compensatie van dat bedrijf. De juridische acties worden door VEB op eigen initiatief gestart en zij ontvangt hiervoor geen aparte vergoeding van haar leden of van derden. VEB zorgt in voorkomende gevallen op verzoek van een aangesproken bedrijf voor het uitvoeren, ondersteunen en faciliteren van een schikking (de afwikkelingsactiviteiten) en ontvangt daarvoor een vergoeding van dat bedrijf. Daarnaast ontvangt VEB van bedrijven met wie schikkingen zijn getroffen in het kader van de schikkingen ook andere geldbedragen. Aan haar leden verricht VEB de volgende prestaties: de uitgave/verstrekking van het blad Effect, de uitgave/levering van een boek en adviesdiensten. Aan derden verricht zij tegen vergoeding de volgende diensten: het opnemen van advertenties in het blad Effect, het gelegenheid geven tot het maken van reclame tijdens de Dag van de Belegger en de afwikkelingsactiviteiten.  

Op 25 mei 2012 heeft VEB een suppletieaangifte ingediend voor het jaar 2011 en verzocht om een btw-teruggaaf van € 18.691. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur vastgesteld dat VEB te weinig btw heeft voldaan en een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 88.533. Over het tweede kwartaal heeft de inspecteur een btw-teruggaaf verleend van € 12.084. Tegen de naheffingsaanslag en de teruggaafbeschikking heeft VEB bezwaar en beroep aangetekend.

In eerste aanleg heeft Rechtbank Den Haag in deze zaak geoordeeld dat de btw op de kosten voor de collectieve juridische acties niet voor aftrek in aanmerking komen, omdat deze acties geen btw-belaste activiteiten zijn. In hoger beroep oordeelt Hof Den Haag echter het tegenovergestelde. De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep aangetekend. A-G Ettema (hierna: de A-G) heeft de Hoge Raad van advies voorzien.

De A-G meent dat VEB met het voeren van collectieve juridische acties geen economische activiteit verricht, omdat een bezwarende titel ontbreekt. Tussen VEB en het aangesproken bedrijf bestaat geen rechtsbetrekking op grond waarvan VEB zich jegens het bedrijf verbindt tegen vergoeding collectieve juridische acties te voeren. Een andersluidende conclusie komt naar de mening van de A-G vreemd voor. Welk bedrijf betaalt een vergoeding om een juridische procedure te starten tegen hem. De vergoeding die VEB voor zichzelf bedingt bij het treffen van schikking kan naar de mening van de A-G niet worden gezien als de vergoeding voor het voeren van de collectieve juridische actie, omdat het vereiste rechtstreekse verband ontbreekt. Het staat immers vast dat VEB op eigen initiatief collectieve juridische acties voert en dat zij voor die activiteiten geen afzonderlijke bedongen vergoeding ontvangt van de getroffen beleggers. De A-G acht het evenwel niet uitgesloten dat VEB naast deze niet-economische activiteit, economische activiteiten verricht. VEB ontvangt immers omvangrijke schikkingsvergoedingen die contractueel zijn overeengekomen. Omdat het op basis van de gedingstukken niet mogelijk is de schikkingsprestatie te duiden, adviseert de A-G de Hoge Raad de zaak te verwijzen voor nader feitenonderzoek. Het verwijzingshof zal moeten beoordelen of de schikkingsactiviteit een economische activiteit is die belast is met btw en, zo ja, in hoeverre VEB recht heeft op btw-aftrek.     

 De conclusie van de A-G verrast ons niet. In ons commentaar op de uitspraak van het hof schreven wij dat het oordeel van het hof naar onze mening onjuist is en dat de rechtbank het onzes inziens bij het juiste eind heeft. Het is nu afwachten of de Hoge Raad de conclusie van de A-G volgt. Zie 10.1 voor meer informatie over het recht op aftrek van voorbelasting.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op