15 juni 2018A-G: Telecomprovider btw verschuldigd over contractuele boete wegens voortijdige beëindiging contract

In deze zaak gaat het over de btw-rechtelijke afbakening tussen een betaling voor een (belastbare en te belasten) dienst en de betaling voor financiële schade (en dus een niet-belastbare handeling).

Feiten

MEO –Servicos de Comunicacoes e Multimedia SA (hierna: MEO) verricht diensten op het gebied van telecommunicatie. MEO komt met haar klanten overeen dat zij de telecommunicatiediensten voor een bepaalde minimumperiode moet afnemen. Hierbij is opgenomen dat de klanten, bij een voortijdige beëindiging van hun contracten, een compensatiebedrag betalen dat gelijk is aan het aantal maanden dat het contract nog loopt x het maandelijks verschuldigde bedrag. Bij het in rekening brengen van deze compensatiebedragen heeft MEO geen btw berekend. De Portugese Belastingdienst is van mening dat MEO wel btw verschuldigd is over deze compensatiebedragen. Vervolgens heeft de Portugese rechter prejudiciële vragen gesteld in deze zaak.

A-G

A-G Kokott beschouwt de volgende oplossing als de juiste: de compensatiebetaling moet economisch worden beschouwd als onderdeel van de totale prijs die verschuldigd is voor de verstrekking van de specifieke diensten door MEO en die slechts in het kader van de betalingsmodaliteiten in maandelijkse bedragen is opgedeeld en waarvan het nog niet voldane deel in het geval van niet-nakoming van de betalingsverplichting ineens verschuldigd is. Zoals de Commissie volgens de A-G ter terechtzitting terecht heeft onderstreept is er in dat geval echter geen sprake van schade op grond van een voortijdige beëindiging van de overeenkomst. MEO ontvangt hetzelfde (netto)bedrag als bij uitvoering van de overeenkomst. Ook een economische beoordeling van MEO’s contractuele regelingen pleit voor hetzelfde resultaat.

In het onderhavige geval staat volgens de A-G alleen de omvang van de gebruiksduur van het gebruik niet vast, maar wel de tegenprestatie voor de dienst. Kortom, MEO ontvangt in het kader van de overeenkomsten met een minimimcontractduur steeds minstens hetzelfde bedrag, ongeacht de daadwerkelijke duur van de dienstverlening. In zoverre vormt de ‘compensatiebetaling’ economisch beschouwd gewoon de betaling van het restant van de maandelijkse termijnen. Net zoals de eerder voldane termijnen is die betaling bedoeld om de reeds geleverde diensten te vergoeden.
De A-G komt tot de slotsom dat de Telecomprovider btw is verschuldigd over contractuele boete wegens voortijdige beëindiging contract. De A-G is ook van mening dat het niet van belang is dat het bedrag naar nationaal recht als een contractuele boete moet worden beschouwd.

Wij zijn het eens met de conclusie van de A-G. De conclusie van de A-G lijkt in lijn te zijn met de eerdere uitspraak van het HvJ. In het Société thermale d’Eugénie-les-Bains arrest besliste het HvJ dat een door de consument betaald voorschot voor een hoteldienst moet worden beschouwd als een forfaitaire schadeloosstelling ter compensatie van schade die is geleden door de annulering. Het HvJ oordeelde toen dat de vergoeding niet belast kan zijn met btw aangezien enig rechtstreeks verband tussen de verrichte dienst en de ontvangen vergoeding ontbreekt. Het HvJ oordeelt echter in Air France-KLM dat wel degelijk sprake is van een rechtstreeks verband. Dit wordt bevestigd door het feit dat de door de passagier te betalen ticketprijs in één keer wordt voldaan voor het recht gebruik te maken van te verrichten vervoersdiensten.

Naar onze mening waren er een aantal verschillen in deze zaken. De betaling bij no shows in de Air France-KLM zaak bestaat uit het gehele aankoopbedrag voor de prestatie en in de zaak van Societe Thermale uit een voorschot. De luchtvaartmaatschappij leed dus geen schade door het niet komen opdagen van de passagier aangezien de passagier reeds het gehele aankoopbedrag van het vliegticket heeft betaald. Daarnaast werd door de luchtvaartmaatschappij het recht voorbehouden om de niet-benutte dienst door te verkopen aan een andere passagier, zonder dat zij verplicht is de prijs ervan terug te betalen aan de oorspronkelijke passagier. De luchtvaartmaatschappij leidde geen schade. Een ander verschil was gelegen in het feit dat partijen in de zaak Air France KLM de overeengekomen verplichtingen uit hoofde van de vervoersovereenkomst (wel) volledig nagekomen waren. In het Air France KLM is het overduidelijk dat het niet-verbruik enkel en alleen te wijten is aan de passagier die een no show gaf en Air France KLM tot op het moment van vertrek van zins was de overeengekomen prestatie te gaan vervullen. Daarna vertrok het vliegtuig, ook al was dat zonder de bewuste passagier. Er is dus wel gepresteerd, alleen de passagier plukte daarvan door eigen schuld niet de vruchten. In de Eugenie-les-Bains situatie was dat anders omdat de niet verschijnende persoon dat van te voren met het hotel overeenkwam. , Hij zag– contractueel/wettelijk – zijn aanbetaling transformeren in een schadevergoeding. Het verschil is dan ook dat Air France KLM enkel overeengekomen was tot presteren en ook aan die contractueel overeengekomen verplichting zou gaan voldoen, zonder een moment te hebben mogen menen dat de prestatie niet uitgevoerd zou hoeven worden waaraan financiële consequenties verbonden zouden kunnen zijnen. Dit terwijl het hotel in overleg met de klant wist van het niet meer doorgaan van het verblijf.

In deze casus heeft MEO geen schade geleden, omdat MEO hetzelfde (netto)bedrag ontvangt als bij uitvoering van de overeenkomst. Tevens is MEO de overeengekomen verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst volledig nagekomen. De omvang van de gebruiksduur stond nog niet vast, maar wel de tegenprestatie voor de dienst. MEO was overeengekomen tot presteren met de klanten. Onze verwachting is dat het HvJ in navolging van de A-G de lijn van het AKF-arrest in haar oordeel aanhoudt.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op