8 mei 2015A-G: prejudiciële vragen btw-aftrek maatschap ter zake van woning

A-G Van Hilten adviseert de Hoge Raad de vraag of en, zo ja, wanneer een maatschap recht op btw-aftrek kan hebben ter zake van een door de maat aangeschaft en aan de maatschap ter beschikking gesteld goed, voor te leggen aan het HvJ EU.

Twee van de drie maten in een maatschap die een champignonkwekerij exploiteert laten in de periode van 2002 tot en met februari 2004 een pand (woning) bouwen bij de kwekerij. De grond is bij de twee maten in gezamenlijke eigendom. De bouwtermijnen zijn aan (een van) de maten in rekening gebracht en afgeboekt op de kapitaalrekeningen. Het pand is in maart 2004 in gebruik genomen voor bewoning door de twee maten en gedeeltelijk in gebruik genomen voor zakelijke doeleinden van de maatschap. De maatschap heeft alle btw op de bouwkosten in aftrek gebracht. Het pand is door de maten niet verhuurd aan de maatschap en er is geen vergoeding bedongen voor het gebruik van de werkkamer door de maatschap. Ook van inbreng van het pand in de maatschap is geen sprake. 

Deze zaak is voor de derde keer aan de Hoge Raad voorgelegd. In het eerste arrest oordeelde de Hoge Raad (op basis van de door het hof vastgestelde feiten) dat de maatschap in het tijdvak van ingebruikneming het pand alsnog volledig tot haar btw-ondernemingsvermogen kan rekenen. De Hoge Raad verwees de zaak vervolgens naar Hof Arnhem voor nader onderzoek. Naar het oordeel van dit hof kon het verweer van de inspecteur, inhoudende dat de maten de afnemer zijn, niet slagen. Uit de vastgestelde feiten in het arrest van de Hoge Raad volgt -aldus het hof-  dat de maten en de maatschap voor de btw één btw-onderneming vormen en dat die btw-ondernemer recht heeft op aftrek. Hierbij maakt het niet uit aan wie de facturen zijn uitgereikt. Tegen deze uitspraak is wederom cassatie ingesteld. De Hoge Raad oordeelde in het tweede arrest dat het hof had moeten onderzoeken of de maatschap de afnemer is van het pand. De Hoge Raad verwees de zaak voor nader onderzoek naar Hof Amsterdam. Dit hof heeft geoordeeld dat de maten de afnemer zijn van het pand waardoor de maatschap geen recht heeft op btw-aftrek ter zake van de woning.

A-G Van Hilten (hierna: de A-G) is van mening dat de maten en de maatschap voor de btw in principe los van elkaar moeten worden gezien. De A-G is dan ook van mening dat de andersluidende jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt is achterhaald. Ten aanzien van de vraag of en, zo ja, wanneer een maatschap recht op btw-aftrek kan hebben ter zake van een door de maat aangeschaft en aan de maatschap ter beschikking gesteld goed acht de A-G de jurisprudentie van het HvJ tegenstrijdig. Om die reden adviseert de A-G deze vraag aan het HvJ voor te leggen. Daarnaast adviseert de A-G om ook de vraag te stellen of de maatschap, als zij recht op btw-aftrek kan hebben ter zake van de door de maat aangeschafte en aan de maatschap ter beschikking gestelde goederen, in dat geval recht heeft op volledige aftrek van btw of slechts ter zake van het gedeelte dat de maatschap voor zakelijke doeleinden gebruikt.

In het ‘Advocatenmaatschap-arrest’ heeft de Hoge Raad -kort gezegd- geoordeeld dat de maatschap recht heeft op aftrek van door de maten aangeschafte goederen en diensten indien en voor zover de maatschap deze in het kader van haar onderneming gebruikt. Door dit arrest is de ‘afnemershobbel’ voor het recht op btw-aftrek door de maatschap bij de aanschaf van zakelijke goederen en diensten door de maten meestal geen probleem. Dit laat onverlet dat betwijfeld kan worden of dit (praktische) arrest strookt met het Unierecht. Dat de A-G voorstelt om hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het HvJ is daarom naar onze mening terecht. Ten aanzien van de door de A-G voorgestelde tweede prejudiciële vraag menen wij dat als de maatschap beschouwd mag of moet worden als de afnemer van de woning zij recht heeft op volledige btw-aftrek (ook het privégebruik van de woning door de maten om niet kwalificeert op grond van de destijds geldende Zesde Richtlijn als aftrekgerechtigd gebruik) en is zij vanaf 2007 (de heffing over het privégebruik is in Nederland pas in 2007 ingevoerd) tot en met 2013 jaarlijks een heffing over het privégebruik van de woning door de maten verschuldigd. Het stellen van een prejudiciële vraag hieromtent achten wij niet nodig. Wellicht ten overvloede zij opgemerkt dat het sinds 2011 niet meer mogelijk om volledige btw-aftrek te claimen voor een woning die zowel voor privé- als voor zakelijke doeleinden wordt gebruikt (zie 10.6.1). Op grond van de huidige regels mag de btw-ondernemer hooguit de btw op het zakelijk gebruikte deel van de woning in aftrek brengen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op