13 september 2017A-G: Poolse btw-vrijstelling reizigersbagage niet-EU reizigers in strijd met btw-richtlijn

Leveringen van goederen die in de persoonlijke bagage van reizigers buiten de EU worden gebracht, zijn vrijgesteld van btw. De nationale wettelijke regeling in Polen bepaalt dat een verkoper die voor de vrijstelling voor exportleveringen aan niet-EU reizigers in aanmerking wil komen, in het voorafgaande belastingjaar een bepaalde minimumomzet moet hebben behaald of een overeenkomst moet hebben gesloten met een marktdeelnemer die gerechtigd is reizigers de btw terug te geven. A-G Bot concludeert dat deze Poolse wettelijke regeling in strijd is met de btw-richtlijn en het beginsel van de fiscale neutraliteit.

Een Poolse ondernemer, Pie?kowski verkoopt telecommunicatieapparatuur aan reizigers die buiten de EU wonen. Uit de btw-aangiften van 2009 en 2010 bleek dat de door hem behaalde netto-omzetten lager waren dan de vereiste 400 000 PLN om de btw-vrijstelling voor exportleveringen te kunnen toepassen. Ook had Pie?kowski geen gegevens overgelegd over een eventuele overeenkomst met een marktdeelnemer die tot btw-teruggaaf gerechtigd is. De Poolse fiscus was van oordeel dat Pie?kowski in de jaren 2010 en 2011 niet gerechtigd was persoonlijk btw terug te geven aan de reizigers of voor hen het tarief van 0% toe te passen. In beroep heeft de Poolse rechter geoordeeld dat de Poolse wetsbepaling in overeenstemming was met de btw-richtlijn, voor zover in de wet de btw-teruggaaf in kwestie aan reizigers afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de verkoper in het voorafgaande belastingjaar een omzet van meer dan 400 000 PLN heeft behaald. De omzetdrempel is niet louter formeel, maar betreft een materiële voorwaarde waarvan in algemene zin afhangt of rechtstreekse btw-teruggaaf door de verkoper mogelijk is. De hoogste rechter in Polen merkt op dat de btw-richtlijn geen bepaalde omzet voorschrijft voor de toepassing van de btw-vrijstelling voor goederen die in de persoonlijke bagage van reizigers worden meegenomen en stelt prejudiciële vragen aan het HvJ EU.

Art. 147 btw-richtlijn stelt de volgende materiële voorwaarden voor de toepassing van de btw-vrijstelling voor reizigersbagage: de reiziger is niet in de EU gevestigd, de goederen worden binnen 3 maanden na aankoop naar een plaats buiten de EU vervoerd en het totale bedrag van de leveringen inclusief btw is hoger dan € 175. Uit de bewoordingen van artt. 146 en 147 van de btw-richtlijn volgt dat die richtlijn voor de toepassing van de vrijstelling bij uitvoer niet de voorwaarde stelt dat de belastingplichtige in het voorafgaande belastingjaar een bepaalde omzet heeft behaald of een overeenkomst heeft gesloten met een marktdeelnemer die tot teruggaaf van btw gerechtigd is. Op basis van een stikt letterlijke uitlegging van deze bepaling is de Poolse regeling in strijd met de btw-richtlijn. Echter, er is een minder strikte uitlegging mogelijk, omdat artt.131 en 273 btw-richtlijn de lidstaten de mogelijkheid bieden om voorwaarden te treffen om een juiste en eenvoudige toepassing van die vrijstellingen te verzekeren en elke vorm van fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen. Lidstaten moeten daarbij wel de algemene rechtsbeginselen van de Unie toepassen. De A-G is van mening dat de Poolse regeling in strijd is met het fiscale neutraliteitsbeginsel, omdat de nadere voorwaarden in de Poolse regeling een formeel karakter hebben en wel aan de materiële voorwaarden van de btw-vrijstelling wordt voldaan. Het recht op de btw-vrijstelling wordt door de Poolse regeling in wezen afhankelijk gesteld van de naleving van formele verplichtingen, zonder dat rekening wordt gehouden met de materiële vereisten. Dat niet aan de nadere (formele) voorwaarden wordt voldaan, mag geen afbreuk doen aan de toepassing van de btw-vrijstelling indien de niet-naleving van de formele vereisten het leveren van het bewijs dat aan de materiële voorwaarde is voldaan, niet heeft verhinderd en geen sprake is van opzettelijke deelname aan fraude. Of sprake is van strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel dient de verwijzende rechter na te gaan. De A-G concludeert dat de Poolse regeling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel indien de nationale regeling de btw-vrijstelling onmogelijk maakt op grond dat niet aan de formele voorwaarden wordt voldaan.

 Wij verwachten dat het HvJ de conclusie van de A-G zal volgen. Gelet op de letterlijke interpretatie van de btw-richtlijnbepaling heeft de Poolse wetgever nadere eisen gesteld aan de hoedanigheid van de verkoper, terwijl de materiële voorwaarden voor de btw-vrijstelling zien op de hoedanigheid van de koper. Het behalen van een bepaalde omzet om de btw-vrijstelling toe te kunnen passen, kan naar onze mening niet worden aangemerkt als een materiële voorwaarde, omdat deze niet wordt vermeld in de btw-richtlijn. Bovendien kan het niet de bedoeling zijn dat de richtlijnwetgever aan de nationale wetgever de mogelijkheid biedt om de toepassing van de btw-vrijstelling afhankelijk te stellen van een bepaalde minimumomzet van de verkoper. Nu de Poolse regering het minimumomzet-vereiste heeft toegevoegd als extra voorwaarde aan de toepassing van de btw-vrijstelling, heeft de A-G terecht geconcludeerd dat deze buiten beschouwing moet worden gelaten voor de toepassing van de btw-vrijstelling. Het is aan het HvJ om dit te bevestigen.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op