8 december 2015A-G: orthopedisch aanpassen confectieschoeisel mogelijk belast met 6% btw

Volgens A-G Ettema is het aanpassen van confectieschoeisel belast met 6% btw indien deze aanpassingen leiden tot een functiewijziging.

 

De feiten in deze cassatieprocedure zijn als volgt. Een B.V. exploiteert een onderneming op het gebied van de orthopedische schoentechniek. Zij levert (semi-)orthopedisch schoeisel en past op medisch voorschrift confectieschoeisel aan van cliënten met bepaalde aandoeningen. De B.V. past het verlaagde btw-tarief van 6% toe op het aanpassen van het confectieschoeisel. De inspecteur meent dat deze werkzaamheden belast zijn tegen het algemene btw-tarief en heeft daarom een naheffingsaanslag opgelegd.

 

In deze zaak is in eerste aanleg door Rechtbank Zeeland-West-Brabant geoordeeld dat het aanpassen van het confectieschoeisel belast is met 21% btw. In hoger beroep bevestigt Hof Den Bosch dat de aanpassingswerkzaamheden aan de confectieschoenen geen herstelwerkzaamheden zijn. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het aangepaste schoeisel kwalificeert als orthopedisch schoeisel. Naar het oordeel van het hof zijn de aanpassingswerkzaamheden zo ingrijpend dat sprake is van vervaardigen. Dat de functie door de aanpassingen van het schoeisel niet wijzigt, doet hieraan af. Volgens de Hoge Raad kan -aldus het hof- immers bij ingrijpende verbouwingen ook sprake zijn van vervaardigen zonder een functiewijziging (in wezen nieuwbouw). Dit betekent dat post b.16 van Tabel I (oplevering van orthopedisch schoeisel) toepassing is en dat de B.V. terecht het 6%-tarief toegepast heeft. Het hof heeft de naheffingsaanslag daarom vernietigd.

 

De staatssecretaris van Financiën heeft beroep in cassatie aangetekend tegen de uitspraak van het hof. In cassatie adviseert A-G Ettema de Hoge Raad het beroep gegrond te verklaren. Naar de mening van de A-G heeft het hof bij de beantwoording van de vraag of in casu sprake is van vervaardiging ten onrechte het ‘in wezen nieuwbouw’-criterium toegepast, aangezien dit criterium slechts geldt voor onroerende goederen. Voor roerende goederen geldt de invulling uit het Van Dijk’s Boekhuis-arrest, waaruit de A-G opmaakt dat slechts sprake is van een nieuw roerend goed als dit goed een andere functie heeft dan de materialen waaruit het is voortgebracht. Voor het vervaardigen van een roerend goed is volgens de A-G dan ook (wel) een functiewijzing nodig. De vraag of in casu sprake is van een functiewijziging, is niet eenvoudig te beantwoorden. Het is maar net hoe eng of ruim de term wordt uitgelegd, aldus de A-G. Uitgaande van een enge uitleg (het is en blijft een schoen) is geen sprake van een functiewijziging. Een ruime uitleg, waarbij de beoordeling van de functiewijziging plaatsvindt op het (sub)niveau van de consumentenmarkten van schoenen voor consumenten met gezonde voeten en voor consumenten met ernstige orthopedische aandoeningen, spreekt de A-G meer aan. In dat geval zou wel sprake zijn van een functiewijziging. Het feit dat zowel confectie- als orthopedische schoenen voor hetzelfde doel, namelijk lopen, worden gebruikt, hoeft volgens de A-G niet in de weg te staan aan een functiewijziging. De A-G adviseert de Hoge Raad de zaak te verwijzen naar een ander hof ter verdere beoordeling. De Hoge Raad moet nog arrest wijzen.

Zie