31 oktober 2014A-G: Niet belastingplichtige holding kan in fiscale eenheid btw met werkmaatschappij

In mei 2006 is door de heer B de holding X B.V. opgericht. X B.V. houdt alle aandelen in C B.V. en -sinds juli 2006- in A B.V. B is bestuurder en in die hoedanigheid beleidsbepaler van zowel X B.V. als A B.V. B heeft een arbeidsovereenkomst met A B.V. A B.V. heeft een belang in D B.V., die een belastingadviespraktijk drijft en is vanwege het verrichten van managementdiensten tegen vergoeding btw-ondernemer. C B.V. neemt deel in diverse vastgoed- B.V.’s.

In geschil is of X B.V. in het vierde kwartaal van 2011 met A B.V. een fiscale eenheid voor de btw vormt. Rechtbank Den Haag oordeelt van niet. In hoger beroep oordeelt Hof Den Haag dat X B.V. een functie vervult die direct te maken heeft met het verrichten van economische activiteiten door A B.V. X B.V. vormt naar het oordeel van het hof een fiscale eenheid, zo niet met een rechtstreeks beroep op de holdingresolutie, dan in elk geval met een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het hof verklaart het beroep van X B.V. gegrond. 

In cassatie adviseert A-G Van Hilten de Hoge Raad het door de staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep ongegrond te verklaren. De A-G constateert dat niet uit de btw-richtlijn blijkt of de ‘personen’ die samen een fiscale eenheid kunnen vormen ondernemers voor de btw moeten zijn. Uit een vijftal arresten van het HvJ, naar aanleiding van inbreukprocedures over de fiscale eenheid btw, volgt dat ook niet-ondernemers deel uit kunnen maken van de fiscale eenheid. Volgens de A-G is de fiscale eenheid een ‘alles of niets’-bepaling: lidstaten die ervoor kiezen de fiscale eenheid op te nemen in hun nationale wetgeving, kunnen zij geen ‘personen’ uitsluiten behalve om misbruik tegen te gaan. De beperking van de fiscale eenheid tot btw-ondernemers, zoals in de Nederlandse wetgeving, kan niet worden gerechtvaardigd met een beroep op het beoogd tegengaan van misbruik, aldus de A-G. Aangezien het HvJ in het arrest Commissie/Nederland niet ingaat op een mogelijke onmogelijkheid voor een topholding om deel uit te maken van een fiscale eenheid, gaat de A-G ervan uit dat mag worden aangenomen dat een holding die geen btw-ondernemer is, economisch verweven kan zijn met andere vennootschappen en derhalve -als zij daadwerkelijk economisch, organisatorisch en financieel verweven is met de andere vennootschappen- onderdeel van een fiscale eenheid voor de btw kan vormen. Omdat het hof -in casatie onbestreden- heeft vastgesteld dat voldaan is aan deze verwevenheden, is de A-G van mening dat X B.V. en A B.V. een fiscale eenheid vormen.

Als de Hoge Raad de conclusie van de A-G volgt dan zal art. 7, lid 4 Wet OB aangepast moeten worden, omdat die bepaling de fiscale eenheid beperkt tot btw-ondernemers. Hoewel de conclusie van de A-G betrekking heeft op een niet-belastingplichtige topholding, doet deze conclusie wel de vraag rijzen of de dga ook een fiscale eenheid kan vormen met ‘zijn’ B.V. Als het antwoord op deze vraag bevestigend luidt dan zou de situatie van voor het Van der Steen-arrest van het HvJ herleven. Eerst zal echter het oordeel van de Hoge Raad afgewacht moeten worden.

Zie 1.10 voor meer informatie over de fiscale eenheid.?? 

 

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op