9 november 2012A-G: Nederlands begrip bouwterrein niet richtlijnconform

Een B.V. heeft in oktober 2005 van drie partijen naast elkaar gelegen grond gekocht. Volgens de koopovereenkomst betreft het “een perceel bouwrijp gemaakt tuinland met het oog op bebouwing van een compleet glastuinbouwbedrijf”. Twee van de drie verkopers oefenden voor het sluiten van de verkoopovereenkomst een glastuinbouwbedrijf uit. Voor de levering van de grond aan de koper hebben zij de opstallen van hun percelen verwijderd, de sloot gedempt en de grond schoongemaakt en geëgaliseerd. De derde verkoper had de grond voor de verkoop in gebruik als landbouwgrond zonder opstallen. De verkoper heeft dit perceel in die staat geleverd. De percelen zijn bij één akte geleverd. Ter zake van de verkrijging van de voormalige landbouwgrond zonder opstallen heeft de koper geen overdrachtsbelasting voldaan.

De inspecteur heeft een naheffing en een vergrijpboete opgelegd aan de koper omdat hij van mening is dat geen bouwterrein is verkregen. Naar de mening van de koper is dit standpunt onjuist omdat hij van mening is dat de gekochte percelen kwalificeren als één onroerende zaak die voldoet aan de voorwaarden voor de vrijgestelde verkrijging van een bouwterrein. Rechtbank Den Haag stelt de inspecteur in het gelijk. In hoger beroep stelt Hof Den Haag de koper in het gelijk. Naar het oordeel van het hof zijn weliswaar meerdere onroerende zaken verkregen, maar kwalificeert de verkregen landbouwgrond als een vrijgestelde verkrijging van een bouwterrein omdat in de nabijheid van de voormalige tuinbouwgrond een sloot is gedempt met het oog op de bebouwing. Tegen deze uitspraak is beroep in cassatie ingesteld.

Naar de mening van A-G Wattel (hierna: de A-G) is het begrip ‘bouwterrein’ zoals beschreven in art. 11, lid 4 Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) en uitgelegd door de Hoge raad niet richtlijnconform. De A-G is van mening dat op basis van het unierecht sprake is van een bouwterrein indien de grond is bestemd als ondergrond voor een opstal. Naar de mening van de A-G is in casu zonder meer sprake van een ondergrond die bestemd is als ondergrond voor een opstal. Hij stelt daarom een (richtlijn)verzoenende interpretatie van art. 11, lid 4 Wet OB voor. Bovendien acht de A-G het -anders dan de staatssecretaris- mogelijk dat het dempen van een sloot niet alleen als bewerking van de grond kwalificeert, maar ook als voorziening in de omgeving van de grond. De A-G adviseert de Hoge Raad derhalve het cassatieberoep ongegrond te verklaren. Indien de Hoge Raad twijfelt aan de vraag of volgens het unierecht sprake is van een bouwterrein, dan verdient het volgens de A-G aanbeveling om de zaak aan te houden in afwachting van de prejudiciële procedure “Woningstichting Maasdriel”.

Voor meer informatie over bouwterreinen en deze conclusie zie 7.6.

Meer weten over wat we u kunnen bieden?

De btw-specialisten helpen u graag verder.

Bel ons op of vul ons contactformulier in.

neem contact op